Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7015

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
12-04-2013
Zaaknummer
12/404 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering over te gaan tot uitbetaling van de gedeclareerde kosten. Wat betreft de kosten van huishoudelijke hulp is ten grondslag gelegd dat de gedeclareerde hulp is verricht door de zoon die bij appellante inwoont, en dat dergelijke hulp niet voor vergoeding in aanmerking komt. Van de gemaakte kosten zijn geen betalingsbewijzen overgelegd. Met betrekking tot de verzorgingshulp is vermeld dat door appellante niet aannemelijk is gemaakt dat voor de gedeclareerde kosten daadwerkelijk betalingen zijn verricht. Daarbij is erop gewezen dat geen nota’s zijn overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/404 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 december 2011 met het kenmerk BZ01323040 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2013. Namens appellante is verschenen mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, is erkend als vervolgingsslachtoffer in de zin van de Wuv. Appellante heeft op jeugdige leeftijd tijdens internering poliomyelitis doorgemaakt, met als gevolg blijvende lichamelijke beperkingen. Verweerder heeft de bij appellante aanwezige status na poliomyelitis aangemerkt als causale aandoening.

1.2. Tot 1 februari 2001 ontving appellante een vergoeding voor huishoudelijke hulp tot maximaal acht uur per week. Bij besluit van 16 januari 2001 is deze vergoeding per 1 februari 2001 uitgebreid tot maximaal 12 uur per week. Verder is bij dit besluit met ingang van 1 februari 2001 een vergoeding toegekend voor kosten van verzorgingshulp tot maximaal vier uur per week. Hierbij is als voorwaarde gesteld dat deze kosten worden verantwoord aan de hand van nota’s. Bij besluit van 1 mei 2006 is de vergoeding voor huishoudelijke hulp met ingang van 1 oktober 2005 uitgebreid naar maximaal 16 uur per week.

1.3. In januari 2011 heeft appellante een declaratie ingediend ter verkrijging van vergoeding van huishoudelijke hulp en verzorgingshulp over de periode 16 januari 2001 tot 23 januari 2010. Bij besluit van 11 april 2011 heeft verweerder geweigerd om tot uitbetaling van de gedeclareerde kosten over te gaan. Het bezwaar tegen dit besluit is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daaraan is wat betreft de kosten van huishoudelijke hulp ten grondslag gelegd dat de gedeclareerde hulp is verricht door zoon Herman, die bij appellante inwoont, en dat dergelijke hulp niet voor vergoeding in aanmerking komt. Verder is erop gewezen dat van de gemaakte kosten geen betalingsbewijzen zijn overgelegd. Met betrekking tot de verzorgingshulp is vermeld dat door appellante niet aannemelijk is gemaakt dat voor de gedeclareerde kosten daadwerkelijk betalingen zijn verricht. Daarbij is erop gewezen dat geen nota’s zijn overgelegd.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Huishoudelijke hulp

2.1. Verweerder voert bij vergoeding op basis van meer dan acht uur per week als beleid dat huishoudelijke hulp verricht door de partner van de betrokkene en/of inwonende gezinsleden niet voor vergoeding in aanmerking komt. Verder zijn op grond van dit beleid betalingsbewijzen vereist als tussen de datum van het toekenningsbesluit en de datum van inzending van de eigen opgave meer dan een jaar is verstreken.

2.2. In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat in dit geval sprake is van inwoning in de zin van het onder 2.1 aangehaalde beleid. Appellante en haar zoon Herman bewonen een woning op hetzelfde adres met een gemeenschappelijke voordeur. Mede gezien de verklaringen van appellante en zoon Herman over hun woonsituatie kan niet worden geconcludeerd dat zij ieder een gescheiden huishouding voeren. Dat appellante, zoals zij heeft aangevoerd, vanwege haar fysieke beperkingen vooral de benedenverdieping van de woning gebruikt, terwijl zoon Herman met name de bovenverdieping bewoont, doet daar niet aan af.

2.3. Vervolgens komt aan de orde of verweerder onverkort aan het onder 2.1 omschreven beleid heeft mogen vasthouden. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit de beschikbare medische informatie blijkt dat bij appellante sprake is van zeer forse fysieke beperkingen, onder meer op het punt van de mobiliteit. Als gevolg daarvan is zij aangewezen op hulp en zorg van bovengemiddelde omvang. Dit is voor verweerder ook de reden geweest om haar zestien uur huishoudelijke hulp per week toe te kennen, aanzienlijk meer dan het gebruikelijke. Speciaal om appellante de specifieke en zeer intensieve zorg te kunnen bieden die zij vanwege deze causale beperkingen behoeft, heeft haar zoon Herman, die elders woonde, opnieuw zijn intrek bij haar genomen. Het is aannemelijk dat een andere oplossing voor verzorging thuis redelijkerwijs niet tot de mogelijkheden behoorde. Onder deze bijzondere omstandigheden gaat het niet aan dat verweerder appellante tegenwerpt dat de huishoudelijke hulp door een inwonend gezinslid wordt geboden. Verweerder had in dit geval dan ook met toepassing van artikel 4:84, slot, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een uitzondering op zijn beleid dienen te maken. In zoverre berust het bestreden besluit op een onvoldoende draagkrachtige motivering en is het in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen.

2.4. Dit gebrek leidt echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Tussen de datum van het toekenningsbesluit en de datum van inzending van de eigen opgave van de kosten is meer dan een jaar verstreken. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (CRvB 1 maart 2001, LJN AI5960) kan verweerder met betrekking tot kosten waarvan met terugwerkende kracht om vergoeding wordt verzocht, verlangen dat de betrokkene deze kosten met bewijsmiddelen staaft. Appellante heeft met betrekking tot de kosten van huishoudelijke hulp geen betalingsbewijzen overgelegd, zoals kwitanties of bankafschriften. Zij heeft alleen een door zoon Herman opgesteld overzicht van verleende hulp ingebracht. De Raad volgt verweerder in zijn standpunt dat appellante met dit overzicht niet heeft aangetoond dat daadwerkelijk betalingen zijn verricht. De weigering om tot uitbetaling van de gedeclareerde huishoudelijk hulp over te gaan kan op deze grond standhouden.

Verzorgingshulp

2.5. Bij de toekenning van een vergoeding voor de kosten van verzorgingshulp is als voorwaarde gesteld dat deze kosten worden verantwoord aan de hand van nota’s. Deze voorwaarde is in overeenstemming met het ter zake door verweerder gevoerde beleid. Appellante heeft ook met betrekking tot de kosten van verzorgingshulp geen nota’s overgelegd dan wel anderszins aangetoond dat hiervoor betalingen zijn verricht. Daarom kan ook de weigering om deze kosten te vergoeden, in rechte standhouden.

2.6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) B. Rikhof

sg