Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6941

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
15-04-2013
Zaaknummer
11/6175 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens een impasse in de arbeidsrelatie. Uitkering. De conclusie is gerechtvaardigd dat ten tijde van de ontslagverlening geen uitzicht meer bestond op een vruchtbare samenwerking tussen appellant en de minister en was daarmee uiteindelijk sprake van een impasse. De minister heeft dan ook op goede grond besloten om appellant op grond van artikel 99 van het ARAR te ontslaan. Voor de vraag of de minister bij het ontslag van appellant een ontslagvergoeding had behoren toe te kennen die uitgaat boven de in artikel 99, tweede lid, van het ARAR voorgeschreven minimumgarantie, is van belang welk aandeel beide partijen hebben gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse in de arbeidsrelatie. Het aandeel van de minister wordt op 51 tot 65% geschat. Dat heeft tot gevolg dat de minister in aanvulling op de uitkering aan appellant een ontslagvergoeding moet betalen. Die ontslagvergoeding wordt berekend door zeven dienstjaren gedeeld door 2, te vermenigvuldigen met het bruto maandsalaris inclusief eventuele toelagen en inclusief de vakantietoeslag en daarop de factor van 0,5 toe te passen. Aftrek van doorbetaald salaris terwijl appellant niet werkzaam was mag niet plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/140
Module Ambtenarenrecht 2016/1664
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6175 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 september 2011, 11/1622 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)

Datum uitspraak: 11 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.M. Weski, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Weski. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Zalm LLB en mr. I.M. Schouten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is per 1 april 2003 aangesteld als onderzoeker bij de afdeling veiligheidsonderzoeken van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Naar aanleiding van een medio 2005 geconstateerd veiligheidsincident - de vondst van en het in handen van de journalist Peter R. de Vries geraken van twee diskettes met geclassificeerde informatie - heeft de minister appellant met ingang van 8 december 2005 geschorst. Na een intern onderzoek heeft de minister op 20 januari 2006 besloten om appellant bij wijze van disciplinaire maatregel dan wel ordemaatregel met onmiddellijke ingang over te plaatsen naar een functie bij het kerndepartement. Appellant heeft tegen dat besluit weliswaar bezwaar gemaakt, maar dat bezwaar later weer ingetrokken.

1.2. In de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 september 2007 is appellant op grond van een overeenkomst tussen hem, de AIVD en de politieregio Zuid-Holland-Zuid bij laatstgenoemde tijdelijk aangesteld in de functie van senior surveillant. Afgesproken is dat appellant na het verstrijken van de overeengekomen periode zonder enig voorbehoud hernieuwd zou worden aangesteld bij de AIVD, tenzij appellant na afloop van de tijdelijke aanstelling in vaste dienst zou worden aangesteld bij de politieregio. Nadat appellant een vaste aanstelling bij de politie had geweigerd, is hij hernieuwd aangesteld bij de AIVD. Aan appellant is bij brief van 23 oktober 2007 meegedeeld dat de minister alsnog uitvoering zal geven aan de maatregel van overplaatsing van appellant naar een functie bij het kerndepartement. De minister heeft appellant buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging tot het moment waarop appellant een passende functie krijgt aangeboden. Vervolgens is appellant op grond van een op 20 februari 2008 door de AIVD met Van Ede & Partners gesloten overeenkomst in een outplacementtraject begeleid naar het opstarten van een eigen onderneming. Over die onderneming heeft Van Ede & Partners bij brief van 19 november 2009 bericht dat de reacties uit de markt ondubbelzinnig duidelijk maken dat de producten van de onderneming van appellant voorzien in een behoefte en dat het initiatief “bewezen veelbelovend” is. Nadien is de onderneming van appellant toch niet levensvatbaar gebleken. Appellant had de AIVD al laten weten dat zijn aanstelling naar verwachting in september of oktober 2009 zou kunnen worden beëindigd; appellant en de minister zijn er uiteindelijk niet in geslaagd om tot overeenstemming te komen over de voorwaarden waaronder de aanstelling van appellant bij de AIVD zou worden beëindigd.

1.3. Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft de minister appellant per 1 september 2010 op grond van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) ontslagen. Aan appellant is een uitkering toegekend die gelijk is aan het voor hem geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet (WW) en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van de sector Rijk, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW.

1.4. Bij besluit van 28 december 2010 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 2010 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep betwist dat sprake was van een impasse in de arbeidsrelatie. Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de minister onvoldoende heeft ondernomen om uitvoering te geven aan het besluit tot overplaatsing van appellant naar een functie bij het kerndepartement dan wel naar een functie elders.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor de vaststelling of de minister bevoegd was om tot ontslagverlening vanwege een impasse in de arbeidsrelatie over te gaan, is de situatie ten tijde van de ontslagverlening doorslaggevend. Dat betekent dat acht moet worden geslagen op alle feiten en omstandigheden die zich voor hebben gedaan voor 1 september 2010 en dat de situatie op die datum bepalend is.

4.2. Appellant is na zijn schorsing in 2005 en formele overplaatsing naar het kerndepartement niet daadwerkelijk op een functie geplaatst. Uit de stukken valt af te leiden dat dit in verband wordt gebracht met de beperkte opleiding en de specifieke werkervaring van appellant en de schaal waarin hij was geplaatst. Nadat appellant na afloop van zijn dienstverband bij de politieregio was teruggekeerd bij het kerndepartement, is hij gefaciliteerd bij het opstarten van een eigen bedrijf, dat uiteindelijk niet succesvol bleek. Nu terugkeer naar de AIVD hoe dan ook was uitgesloten als gevolg van de onder 1.1 beschreven gebeurtenissen, is - mede als gevolg van het tijdsverloop - de conclusie gerechtvaardigd dat ten tijde van de ontslagverlening geen uitzicht meer bestond op een vruchtbare samenwerking tussen appellant en de minister en was daarmee uiteindelijk sprake van een impasse.

De minister heeft dan ook op goede grond besloten om appellant op grond van artikel 99 van het ARAR te ontslaan.

4.3. Voor de vraag of de minister bij het ontslag van appellant een ontslagvergoeding had behoren toe te kennen die uitgaat boven de in artikel 99, tweede lid, van het ARAR voorgeschreven minimumgarantie, is allereerst van belang welk aandeel beide partijen hebben gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse in de arbeidsrelatie. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een minimumgarantie onvoldoende als komt vast te staan dat het bestuursorgaan in de impasse een overwegend aandeel heeft gehad, of als een uitkering op minimumniveau gezien de omstandigheden van het geval niet redelijk kan worden geacht (CRvB 9 december 2010, LJN BO8173). Het gaat daarbij niet om volledige schadevergoeding, maar om compensatie van het aandeel van het bestuursorgaan. Daarbij is ook het aandeel van de ambtenaar van betekenis. Als er sprake is van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan (de drempel) is vervolgens voor de berekening van de hoogte van de vergoeding de mate van het overwegend aandeel van het bestuursorgaan van belang. Voor die berekening zijn bij uitspraak van 28 februari 2013 (LJN BZ2044) de uitgangspunten vastgesteld waarnaar hierbij wordt verwezen.

4.4. Bij de vaststelling van het aandeel van de minister in de impasse die hier aan de orde is, wordt het volgende in aanmerking genomen. Zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen, heeft de minister appellant overgeplaatst naar een functie bij het kerndepartement zonder appellant ook daadwerkelijk in een functie aldaar te plaatsen. Van zo’n plaatsing is het ook nooit gekomen. Weliswaar heeft de minister weten te bewerkstelligen dat appellant voor de duur van een jaar werkzaam is geweest bij de politieregio Zuid-Holland-Zuid, maar na ommekomst van dat jaar was appellant hernieuwd aangesteld bij de AIVD, wederom in vergeefse afwachting van zijn 'om appellant een eigen onderneming te laten opzetten was gestrand heeft de minister appellant evenmin in een functie bij het kerndepartement weten te plaatsen. Het is niet gebleken dat de minister daadwerkelijk heeft gezocht naar een functie bij het kerndepartement die voor appellant geschikt was; appellant is ook nooit een concrete functie bij het kerndepartement voorgehouden. Dat de beperkte opleiding van appellant, zijn specifieke werkervaring en zijn bezoldiging naar schaal 9 daaraan in de weg stonden is wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt. Het komt onder die omstandigheden voor rekening van de minister dat de onzekere en onduidelijke situatie waarin appellant verkeerde jaren heeft voortgeduurd en heeft geleid tot de uiteindelijke impasse.

4.5. Over het aandeel van appellant wordt het volgende opgemerkt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, staat in rechte vast dat appellant verantwoordelijk is voor het veiligheidsincident, hetgeen ernstig plichtsverzuim oplevert en tot gevolg heeft gehad dat hij niet langer voor de AIVD werkzaam kan zijn. Ontheffing uit de desbetreffende functie was daarom onvermijdelijk en valt appellant toe te rekenen.

4.6. Op grond van bovenstaande overwegingen wordt het aandeel van de minister op 51 tot 65% geschat. Dat heeft tot gevolg dat de minister in aanvulling op de onder 1.3 weergegeven uitkering aan appellant een ontslagvergoeding moet betalen. Die ontslagvergoeding wordt berekend door zeven dienstjaren gedeeld door 2, te vermenigvuldigen met het bruto maandsalaris inclusief eventuele toelagen en inclusief de vakantietoeslag en daarop de factor van 0,5 toe te passen. Aftrek van doorbetaald salaris terwijl appellant niet werkzaam was mag niet plaatsvinden.

4.7. Hetgeen onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de door de minister aan appellant geboden uitkeringsregeling niet onvoldoende is. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd voor zover dat ziet op de aan appellant geboden uitkeringsregeling. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en aan appellant een vergoeding toe te kennen die is berekend conform het bepaalde onder 4.6 van deze uitspraak. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Er is ten slotte aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor wat betreft de geboden uitkeringsregeling;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 december 2010 voor zover daarbij aan appellant geen aanvullende vergoeding is toegekend bovenop de aan hem verleende minimumgarantie;

- bepaalt dat aan appellant in aanvulling op de geboden minimumgarantie een vergoeding wordt betaald, berekend zoals weergegeven in overweging 4.6 en bepaalt dat deze uitspraak

in de plaats treedt van het besluit van 28 december 2010;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 379,- vergoedt;

-veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.888,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K. Zeilemaker en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.R. Schuurman