Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6937

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
12-04-2013
Zaaknummer
12/3412 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opheffing functie. Boventalligverklaring. Sociaal Akkoord 2009-2012. Hierin staat dat bij reorganisaties binnen de gemeente geen gedwongen ontslagen vallen en dat naar een nieuwe functie zal worden gezocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3412 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 mei 2012, 11/1558, 11/1559 en 11/1588 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

Datum uitspraak: 11 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.F. Kortooms hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kortooms. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Zittema en drs. ir. J.C. Lens.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was sinds 2002 voor 5,4 uur per week aangesteld als beiaardier van het stadscarillon van Leeuwarden. Bij de begroting voor het jaar 2011, die door de gemeenteraad is vastgesteld op 8 november 2010, is een bezuiniging op het carillon ingeboekt van € 10.000,-, zijnde de kosten voor de aanstelling van appellant. Besloten is verder dat het carillon voortaan mechanisch wordt bespeeld.

1.1. Bij besluit van 2 december 2010 is appellants functie opgeheven. Hem is in dat besluit verder meegedeeld dat hij vanaf die datum boventallig wordt en dat voor hem het Sociaal Akkoord 2009-2012 geldt. Hierin staat dat bij reorganisaties binnen de gemeente geen gedwongen ontslagen vallen en dat naar een nieuwe functie zal worden gezocht. Dit besluit is na bezwaar van appellant gehandhaafd bij besluit van 1 juni 2011 (bestreden besluit).

1.2. Vanaf maart 2011 verricht appellant voor 5,4 uur per week tijdelijke werkzaamheden in het archief. Getracht is om tot een vaststellingsovereenkomst te komen teneinde de arbeidsverhouding te beëindigen, maar dat is niet gelukt. Een aanstelling als archiefmedewerker is niet mogelijk omdat de formatie daarvoor geen ruimte biedt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep de gronden van zijn bezwaar en beroep herhaald. Hij heeft erop gewezen dat er geen rechtsgrond bestaat voor de boventalligverklaring, omdat de ten tijde van belang van toepassing zijnde gemeentelijke rechtspositieregeling (CAR/UWO) dat begrip niet kent. Appellant heeft verklaard dat hij het onbegrijpelijk vindt dat wordt bezuinigd op de kosten van dit buitengewone carillon. Van de zijde van het college is verklaard dat het bezuinigingsbesluit een politiek besluit is, dat voor het college als uitgangspunt heeft te gelden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De functie van appellant is opgeheven als gevolg van een bezuinigingsbesluit van de gemeenteraad. Gesteld noch gebleken is dat dit bezuinigingsbesluit niet op objectieve gronden berust, zodat moet worden geoordeeld dat dit besluit ten grondslag mocht worden gelegd aan de opheffing van appellants betrekking. De inhoud van het bezuinigingsbesluit staat hier niet ter beoordeling. Ook de wijze waarop aan appellant bekend is geworden dat zijn functie werd wegbezuinigd kan, hoe vervelend dat ook voor hem is geweest, niet meebrengen dat het opheffingsbesluit daarom onrechtmatig is.

4.2. Als gevolg van de opheffing van appellants betrekking was het college in beginsel bevoegd om appellant ontslag te verlenen als bedoeld in artikel 8:3 van de Arbeidsvoorwaardenregeling. Maar omdat in het destijds geldende Sociaal Akkoord de garantie was opgenomen dat geen gedwongen ontslag zou worden verleend aan diegenen die boventallig waren, is voor hem gezocht naar andere werkzaamheden. Niet valt in te zien dat het college daarmee buiten zijn bevoegdheden is getreden. Dat het begrip boventallig destijds niet werd genoemd in de CAR/UWO is niet doorslaggevend. De besluitvorming zoals die heeft plaatsgevonden na de opheffing van zijn betrekking, is in het belang van appellant, die - zoals gezegd - anders voor ontslag in aanmerking was gekomen.

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2013.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) S.K. Dekker