Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6898

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
11/6956 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel. Er bestaat geen grond voor matiging van de opgelegde maatregel met toepassing van artikel 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening, reeds omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de opgelegde maatregel hem onredelijk zwaar treft. Zijn stelling dat hij al jaren financiële problemen heeft, is daarvoor in ieder geval onvoldoende, nog daargelaten dat hij die stelling niet met enig concreet en verifieerbaar gegeven heeft onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6956 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2011, 11/3332 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 9 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.R.H. Swane, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is, na acht jaar werkzaam te zijn geweest bij Voskamp [naam werkgever], op 18 januari 2011 op staande voet ontslagen wegens het ontvreemden en doorverkopen van bedrijfsgoederen. Appellant heeft na dit ontslag, dat hij niet heeft aangevochten, een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft appellant bij besluit van 7 februari 2011 meegedeeld dat hij per 18 januari 2011 geen WW-uitkering kan krijgen, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.2. Nadat appellant zich op 9 februari 2011 had gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), heeft hij verzocht om verlening van bijstand per 18 januari 2011. Naar aanleiding van zijn aanvraag heeft op 25 februari 2011 een intakegesprek met appellant plaatsgevonden. Volgens een uitdraai uit het systeem ‘Focus’ heeft de betreffende medewerker van de Dienst werk en inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) tijdens dat gesprek aan appellant uitgelegd dat hij een maatregel van 100% voor de duur van een maand zal krijgen als blijkt dat er recht is op een WWB-uitkering.

1.3. Bij besluit van 25 februari 2011 heeft het college appellant bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Tevens heeft het college de bijstand van appellant, inclusief vakantietoeslag, bij wijze van maatregel met ingang van 18 januari 2011 gedurende een maand met 100% verlaagd. Hieraan is, onder verwijzing naar artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening Inkomensvoorzieningen van de gemeente Amsterdam (Afstemmingsverordening), het volgende ten grondslag gelegd. Appellant is op staande voet ontslagen wegens het ontvreemden van goederen die toebehoorden aan de werkgever. Daarmee heeft appellant niet genoeg zijn best gedaan om zijn werk te behouden of aan het werk te komen.

1.4. Bij besluit van 26 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de bij het besluit van 25 februari 2011 opgelegde maatregel ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij vermeld dat de grondslag van de opgelegde maatregel artikel 3, eerste en tweede lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening is, dat in het besluit van 25 februari 2011 per abuis is verwezen naar artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening en dat deze vergissing met het bestreden besluit is hersteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening wordt de bijstand eenmalig met € 200,-- verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekortgeschoten in het naar vermogen verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. In artikel 3, eerste lid, van de Afstemmingsverordening is bepaald dat de bijstand gedurende één maand met 100% wordt verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college zeer ernstig is tekortgeschoten in een of meer van de in artikel 2, eerste lid, genoemde opzichten. Van een zeer ernstig tekortschieten is volgens artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a van de Afstemmingsverordening onder meer sprake als vast staat of redelijkerwijs is aan te nemen dat het beroep door belanghebbende op algemene bijstand gedurende meer dan één maand het gevolg is van diens doen of nalaten. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening kan het college de verlaging lager vaststellen als de belanghebbende door het bedrag van de verlaging of het percentage van de verlaging onredelijk zwaar wordt getroffen.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het college de gedraging van appellant terecht heeft aangemerkt als een verwijtbaar zeer ernstig tekortschieten in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening. Evenmin is tussen partijen in geschil dat het gevolg daarvan is dat het college de bijstand van appellant dient te verlagen met 100% gedurende een maand. Appellant heeft aangevoerd dat zijn bijstand niettemin toch ten onrechte is verlaagd, omdat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij per 18 januari 2011 een volledige bijstandsuitkering zou gaan ontvangen. Appellant wijst er daarbij op dat hij nimmer van DWI heeft begrepen dat de bijstand zou worden afgestemd.

4.3. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat volgens de beschikbare gegevens, waarvan in het bijzonder de in 1.2 bedoelde gespreksnotitie, wel degelijk met appellant is gesproken over een - mogelijke - afstemming in verband met zijn ontslag op staande voet en dat reeds om die reden het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Bovendien is geen sprake geweest van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van de kant van het college dat een afstemming van de bijstand van appellant achterwege zou worden gelaten.

4.4. Appellant heeft voorts aangevoerd dat het college heeft gehandeld in strijd met het verbod van reformatio in peius, omdat appellant door de wijziging van de grondslag van de maatregel in bezwaar in wezen slechter af is. Hij wijst er daarbij op dat de in het besluit van 25 februari 2011 gehanteerde grondslag slechts kan leiden tot een afstemming van € 200,-- en dat het college, door in bezwaar de grondslag te wijzigen, gerechtigd was om de bijstand voor de duur van een maand met 100% te verlagen.

4.5. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 8 maart 2011, LJN BP7524) staat artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht niet in de weg aan de handhaving in bezwaar van een primair besluit op een andere grond dan die waarop dat primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging. De in het bestreden besluit neergelegde grond voor de opgelegde maatregel levert voorts - in materieel opzicht - geen verslechtering van de positie van appellant op. Immers, het college heeft bij het bestreden besluit de hoogte en duur van de maatregel niet gewijzigd. Verder blijkt uit de beschikbare gegevens, waarvan in het bijzonder de onder 1.2 bedoelde gespreksnotitie en het rapport ‘Aanvraag WWB levensonderhoud’ van 25 februari 2011, dat het college van meet af aan heeft beoogd de bijstand van appellant te verlagen met 100% gedurende een maand.

4.6. Verder heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Hij heeft in dit verband, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De vermelding van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening in het besluit van 25 februari 2011 is, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet te beschouwen als een kennelijke verschrijving. Met de zinsnede in dat besluit dat appellant niet genoegzaam zijn best heeft gedaan om werk te behouden, heeft het college geen invulling gegeven aan het begrip ‘ernstig tekortschieten’ dan wel ‘zeer ernstig tekortschieten’ in de zin van artikel 2, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3, eerste lid, van de Afstemmingsverordening.

4.7. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Het is evident dat de in het besluit van 25 februari 2011 omschreven gedraging dat appellant op staande voet is ontslagen wegens het ontvreemden van bedrijfsgoederen niet strookt met de daaraan verbonden conclusie dat appellant niet genoeg zijn best heeft gedaan om zijn werk te behouden of aan het werk te komen. Bij het bestreden besluit heeft het college dit rechtgezet door uiteen te zetten dat het verwijtbaar ontslag van appellant een gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en dat deze gedraging valt onder het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening. Daarmee berust het bestreden besluit op een deugdelijke motivering.

4.8. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat hij al jaren financiële problemen heeft en dat het college op grond daarvan, bezien in samenhang met de handelwijze van DWI, de afstemming had moeten matigen.

4.9. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen grond bestaat voor matiging van de opgelegde maatregel met toepassing van artikel 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening, reeds omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de opgelegde maatregel hem onredelijk zwaar treft. Zijn stelling dat hij al jaren financiële problemen heeft, is daarvoor in ieder geval onvoldoende, nog daargelaten dat hij die stelling niet met enig concreet en verifieerbaar gegeven heeft onderbouwd. Dit betekent dat ook de onder 4.8 geformuleerde beroepsgrond faalt.

4.10. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M. Sahin

HD