Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6889

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
12/262 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De rechtbank heeft de in beroep aangevoerde gronden afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen naar voren komt dat er geen reden is voor het aannemen van meer beperkingen. Geen noodzaak voor een urenbeperking. Dat een werktijdaanpassing in het kader van de WSW is geadviseerd, is niet voldoende. WSW-beoordeling heeft een ander doel en is gebaseerd op een ander wettelijk kader met andere criteria dan de onderhavige WIA-beoordeling. De functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/262 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

1 december 2011, 11/675 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 10 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2013. Appellant en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft zich op 22 september 2008 vanwege hartklachten ziek gemeld vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, waarna hem een uitkering op grond van de Ziektewet is verstrekt.

2. Bij besluit van 8 september 2010 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen, omdat appellant per 20 september 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 12 april 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van

8 september 2010 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, gelet op alle voorhanden medische gegevens, geen aanknopingspunten gevonden om de eindconclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. De omstandigheid dat appellant is toegelaten tot de doelgroep in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), waarbij appellant op onderdelen beperkter is geacht dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 juni 2010 is weergegeven, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid.

4. Appellant heeft in hoger beroep zijn in bezwaar en beroep aangevoerde standpunt herhaald dat hij meer beperkingen heeft dan door het Uwv wordt aangenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de indicatie in het kader van de WSW waarbij een urenbeperking is aangenomen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De rechtbank heeft de in beroep aangevoerde gronden afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen naar voren komt dat er geen reden is voor het aannemen van meer beperkingen per 20 september 2010.

5.2. Met betrekking tot de stelling van appellant dat een urenbeperking moet worden aangenomen wordt gewezen op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 29 maart 2011, waarin onderbouwd is aangegeven dat er geen reden is voor het stellen van een urenbeperking. Dat een werktijdaanpassing in het kader van de WSW is geadviseerd, is niet voldoende om onjuist te achten dat de (bezwaar)verzekeringsarts een urenbeperking in de FML van 28 juni 2010 achterwege heeft gelaten. Een WSW-beoordeling heeft een ander doel en is gebaseerd op een ander wettelijk kader met andere criteria dan de onderhavige WIA-beoordeling. Aan de WSW-indicatie kan daarom niet de waarde worden toegekend die appellant daaraan toegediend wenst te zien.

5.3. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting wordt volstaan met te verwijzen naar de overwegingen in de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

5.4. De overwegingen 5.1 tot en met 5.3 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Voor de gevraagde veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente bestaat geen ruimte.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) I.J. Penning

QH