Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
12/1368 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de activiteiten van betrokkene bij KFC Dessel Sport niet aan te merken zijn als arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht. Van het verrichten van werkzaamheden uit hoofde waarvan betrokkene niet als werknemer wordt beschouwd was dan ook geen sprake.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1368 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 februari 2012, 11/2923 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak: 10 april 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.A.W.J. van Grinsven een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2013. Voor het Uwv is verschenen M.J.H. Maas. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Grinsven.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is werkzaam geweest als professioneel voetballer bij FC Eindhoven. Omdat zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst niet werd verlengd heeft hij per 1 juli 2010 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Appellant heeft hem met ingang van 1 juli 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de WW op basis van een gemiddeld arbeidsurenverlies van 40 uur per week.

1.2. Na de constatering dat betrokkene naast zijn WW-uitkering voetbalde bij KFC Dessel Sport in België heeft de Directie Handhaving-Uitvoering van het Uwv onderzoek gedaan, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 1 maart 2011. Uit verklaringen van de algemeen secretaris van KFC Dessel Sport en betrokkene is gebleken dat betrokkene zich heeft verbonden vanaf 1 juli 2010 voor KFC Dessel Sport te voetballen. Daaraan heeft hij gemiddeld dertien en een half uur per week besteed (vier trainingen en een wedstrijd), en heeft hij een onkostenvergoeding en een winstpremie ontvangen. Betrokkene heeft KFC Dessel Sport per 1 februari 2011 verlaten. Hij is met ingang van die datum in dienst getreden van FC Oss.

1.3. De resultaten van het onderzoek hebben ertoe geleid dat appellant bij besluit van 18 maart 2011 de WW-uitkering van betrokkene met ingang van 19 juli 2010 heeft herzien. Daarbij is de over de periode van 19 juli 2010 tot en met 6 februari 2011 volgens appellant onverschuldigd betaalde WW-uitkering tot een bedrag van € 4.307,09 van betrokkene teruggevorderd. Bij besluit van 14 april 2011 heeft appellant betrokkene wegens schending van de inlichtingenverplichting een boete opgelegd van € 410,-.

1.4. Bij besluit van 26 juli 2011 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de besluiten van 18 maart 2011 en 14 april 2011 ongegrond verklaard. Ten aanzien van de omvang van de herziening heeft appellant overwogen dat betrokkene voor dertien en een half uur per week de hoedanigheid van werknemer heeft verloren en dat hij in verband met de reistijd naar België gedurende vier uur per week niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.

2.1. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Op 4 januari 2012 heeft appellant, onder intrekking van bestreden besluit 1, een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). In bestreden besluit 2 heeft appellant het standpunt niet langer gehandhaafd dat betrokkene gedurende de reistijd van vier uur per week niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden, zodat de herziening op dat punt niet juist is. Appellant heeft het terug te vorderen bedrag verlaagd naar € 3.349,90 en de boete naar € 340,-.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant dit besluit niet gehandhaafd heeft en betrokkene geen belang meer heeft bij een behandeling van zijn beroep tegen dit besluit. De rechtbank heeft vervolgens het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, de besluiten van 18 maart 2011 en 14 april 2011 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 4 januari 2012. De rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene door te trainen en te spelen bij KFC Dessel Sport de hoedanigheid van werknemer niet heeft verloren, nu betrokkene als amateurvoetballer speelde bij een amateurvoetbalclub, die ten tijde van belang geen professionele spelers in dienst had. Daarmee was volgens de rechtbank geen sprake van arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs verwacht kan worden.

3.1. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond heeft verklaard. Appellant heeft betoogd dat betrokkene door zijn activiteiten bij KFC Dessel Sport wel de hoedanigheid van werknemer heeft verloren. Mede gelet op de toelichting ter zitting heeft appellant daarbij met name van belang geacht dat betrokkene tot 1 juli 2010 professioneel voetballer was en ernaar streefde ook weer als professioneel voetballer aan de slag te kunnen. Volgens appellant was voetballen voor betrokkene de arbeid die hij in het economisch verkeer verricht. Omdat betrokkene met het voetballen bij KFC Dessel beoogde een dienstbetrekking in het betaalde voetbal tot stand te brengen, was sprake van werkzaamheden in het economisch verkeer waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel werd beoogd. Bovendien was KFC Dessel Sport volgens appellant ten tijde in geding een amateurclub gericht op promotie naar de Tweede Klasse in het Belgisch betaald voetbal.

3.2. Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Hij heeft benadrukt dat KFC Dessel Sport een amateurclub is, waarbij ten tijde in geding uitsluitend amateurs speelden, en dat hij in de periode in geding zelf ook amateurvoetballer was. Betrokkene heeft nooit geldelijk voordeel beoogd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de WW behoudt een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd.

4.1.2. Artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a van de WW bepaalt dat het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest. Voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering op grond van artikel 20, tweede lid, van de WW voor het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd.

4.1.3. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW herziet appellant een besluit tot toekenning van uitkering of trekt hij deze in als het niet of niet behoorlijk nakomen van de mededelingsplicht van artikel 25 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

4.1.4. In artikel 25 van de WW, voor zover van belang, is bepaald dat de werknemer verplicht is appellant op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

4.1.5. Artikel 27a, eerste lid, van de WW bepaalt dat het Uwv een bestuurlijke boete van ten hoogste € 2.269,- oplegt ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 25 van de WW.

4.2. Onder werkzaamheden uit hoofde waarvan een werknemer zijn hoedanigheid als werknemer verliest, moet volgens vaste rechtspraak (zie onder meer CRvB 5 december 2012, LJN BY5260) worden verstaan arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht.

4.3. Bij de vraag of sprake is van arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht komt betekenis toe aan de aard van de activiteiten en omgeving waarbinnen die activiteiten worden verricht. Uit de gedingstukken blijkt dat KFC Dessel Sport ten tijde in geding geen betaaldvoetbalorganisatie was, maar een amateurclub in de Derde Klasse van de Belgische voetbalcompetitie waarbij uitsluitend amateurvoetballers speelden. Het als speler beoefenen van de voetbalsport in een amateurclub als hier aan de orde is naar gangbare maatschappelijke opvatting geen arbeid in het economisch verkeer. Dat is niet anders indien daarmee beoogd wordt de kansen te vergroten om (opnieuw) arbeid als speler in dienst van een betaaldvoetbalorganisatie te verkrijgen. Anders dan het Uwv heeft betoogd komt in dit verband geen betekenis toe aan het feit dat betrokkene tot 1 juli 2010 werkzaam is geweest als professioneel voetballer. De stelling van het Uwv dat KFC Dessel Sport destijds gericht was op promotie naar het gaan spelen van betaald voetbal is, wat er van die stelling ook zij, in dit verband evenmin relevant. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de activiteiten van betrokkene bij KFC Dessel Sport niet aan te merken zijn als arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht. Van het verrichten van werkzaamheden uit hoofde waarvan betrokkene niet als werknemer wordt beschouwd was dan ook geen sprake.

4.4. Het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet verplicht was zijn activiteiten als amateurvoetballer aan appellant te melden, is juist. Hetzelfde geldt voor de conclusies van de rechtbank dat appellant de WW-uitkering van betrokkene ten onrechte heeft herzien en is overgegaan tot terugvordering en het opleggen van een boete.

4.5. Uit 4.3 en 4.4 volgt dat de rechtbank terecht bestreden besluit 2, voor zover dat ziet op herziening, terugvordering en de boete, heeft vernietigd en de besluiten van 18 maart 2011 en 14 april 2011 heeft herroepen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - moet worden bevestigd.

5. Er is aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand. De door de rechtbank uitgesproken veroordeling in de proceskosten blijft in stand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 944,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) I.J. Penning