Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6877

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
11/2241 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. De Raad heeft geen feiten of omstandigheden aangetroffen die voldoen aan de drie in artikel 8:88 van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2241 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 augustus 2010, 08/2650 WAO

Partijen:

[A. te B.] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 10 april 2013.

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 augustus 2010, 08/2650 WAO.

Het Uwv heeft een reactie op het herzieningsverzoek ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 27 februari 2013, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.2. Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2008, 07/409, vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit van 22 december 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om wettelijke rente, gedaan bij brief van

25 augustus 2006, niet-ontvankelijk verklaard.

2.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals deze blijkt uit onder andere zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (LJN AN7982), kan in het kader van het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening slechts worden beoordeeld of op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet herziening aangewezen is. Een hernieuwde discussie over de betrokken zaak en de juistheid van de betrokken uitspraak kan in dit kader niet worden gevoerd.

2.2. Verzoeker heeft aan het verzoek om herziening in essentie ten grondslag gelegd het niet eens te zijn met de uitspraak van de Raad van 11 augustus 2010. In hetgeen door verzoeker bij het verzoek om herziening is aangevoerd heeft de Raad geen feiten of omstandigheden aangetroffen die voldoen aan de drie in artikel 8:88 van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden. De Raad moet dan ook vaststellen dat verzoeker met het onderhavige verzoek heeft beoogd op basis van al bekende gegevens een - bij het rechtsmiddel van herziening niet passende - hernieuwde discussie te voeren.

2.3. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 augustus 2010, 08/2650 WAO, dan ook te worden afgewezen.

3. Voor een proceskostenveroordeling van één der partijen ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) H.J. Dekker

JL