Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6740

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
11/4442 BBZ + 12/3836 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bbz-uitkering in de vorm van renteloze lening. De brief van 1 september 2010 is niet op enig rechtsgevolg gericht. De brief bevat wat betreft de betalingsverplichting slechts een herhaling van een eerder genomen besluit en is niet meer dan een mededeling van informatieve aard over de (on)mogelijkheid om uitstel van betaling te krijgen. Het college heeft het bezwaar tegen die brief terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is in behandeling genomen als een verzoek om kwijtschelding. Het verzoek om kwijtschelding is terecht afgewezen. Het college heeft geen specifiek beleid vastgesteld met betrekking tot de kwijtschelding van Bbz-vorderingen. Bij de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding als dat van appellant sluit het college aan bij de beleidsregels met betrekking tot afzien van terug- en invordering. Appellant voldoet niet de voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4442 BBZ, 12/3836 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 juli 2011, 10/4113 (aangevallen uitspraak 1), en van 21 juni 2012, 11/3530 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (college)

Datum uitspraak 9 april 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld op 26 februari 2013, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 9 oktober 1996 heeft het college appellant met ingang van 1 februari 1996 een uitkering ingevolge het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) toegekend tot de uitspraak op zijn beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Gezien de hoogte van zijn eigen vermogen is de

Bbz-uitkering toegekend in de vorm van een renteloze lening.

1.2. Bij besluit van 25 februari 2002 heeft het college de bij besluit van 9 oktober 1996 toegekende renteloze lening vastgesteld op een totaalbedrag van € 95.484,26 aangezien zijn vermogen van appellant meer bedraagt dan de voor hem geldende vermogensgrens. Het college heeft daarbij appellant verder meegedeeld dat op grond van artikel 11 van het Bbz de renteloze lening met ingang van 1 januari 2003 met 10% jaarlijks dient te worden afgelost en de aflossing van de lening ingaande 1 januari 2003 op € 495,70 maandelijks vastgesteld. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Bij besluiten van 28 februari 2003, 23 september 2003, 19 augustus 2004 en 22 februari 2006 heeft het college appellant uitstel van betaling verleend over de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2007. Nadat bij een heronderzoek in september 2007 was gebleken dat de aflossingscapaciteit van appellant niet was vast te stellen, heeft het college besloten om geen verplichting op te leggen, om na zes maanden een nader onderzoek te doen naar de aflossingscapaciteit en om geen besluit te nemen in afwachting van nog lopende procedures. Nadat alle procedures medio 2010 waren afgerond, heeft het college appellant bij brief van 1 september 2010 meegedeeld dat de aflossingsverplichting, vermeld in het besluit van 25 februari 2002, dient te worden hervat en dat appellant de vordering met € 495,70 per maand dient terug te betalen met ingang van 1 oktober 2010.

1.4. Bij besluit van 30 november 2010 (bestreden besluit 1) heeft het college het tegen de brief van 1 september 2010 gemaakt bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.5. Het college heeft vervolgens het bezwaar in behandeling genomen als een verzoek om kwijtschelding. Bij besluit van 9 mei 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 oktober 2011 (bestreden besluit 2), heeft het college dit verzoek afgewezen op de grond dat appellant voldoende betalingscapaciteit heeft om zijn betalingsverplichting na te komen en dat er geen redenen zijn om hiervan af te wijken.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij geen mogelijkheid ziet om binnen zijn inkomen gevolg te geven aan de maandelijkse terugbetaling van € 495,70. Appellant is van mening dat, gelet op het feit dat sinds de beëindiging van zijn bedrijf op 1 april 2005 vijf jaren zijn verstreken, het college op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) wettelijk verplicht is de schuld kwijt te schelden. Voorts is appellant uitvoerig ingegaan op de voorgeschiedenis, de problemen rond zijn bedrijf en de lichamelijke klachten die hij sinds een ongeval in 1993 ondervindt. Ook heeft hij gewezen op de kosten die hij in verband met procedures heeft moeten maken. Ten slotte heeft appellant verzocht om vergoeding van de door hem geleden schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de brief van 1 september 2010 niet op enig rechtsgevolg is gericht. De brief bevat wat betreft de betalingsverplichting slechts een herhaling van het besluit van 25 februari 2002. De brief bevat geen beslissing over uitstel van betaling. De in de brief opgenomen opmerking dat op grond van artikel 41, tweede lid, van het Bbz 2004 niet langer uitstel van betaling kan worden verleend, is niet meer dan een mededeling van informatieve aard over de (on)mogelijkheid om uitstel van betaling te krijgen. Van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb is daarom geen sprake. Het college heeft het bezwaar tegen deze brief dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.2. Uit 4.1 volgt dat dit hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt.

Aangevallen uitspraak 2

4.3. Om het verzoek om kwijtschelding te beoordelen heeft het college verscheidene gegevens bij appellant opgevraagd om inzicht te verkrijgen in zijn financiële situatie. Ofschoon appellant niet alle gevraagde gegevens heeft ingeleverd, heeft het college op basis van de beschikbare gegevens een draagkrachtberekening gemaakt met als resultaat dat appellant voldoende aflossingscapaciteit heeft om de lening af te lossen. Appellant heeft ook in hoger beroep niet concreet onderbouwd op grond waarvan hij van mening is dat deze draagkrachtberekening niet juist is. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij geen mogelijkheid ziet om binnen zijn inkomen gevolg te geven aan de maandelijkse terugbetaling van € 495,70 heeft appellant wel een overzicht van zijn maandelijkse lasten overgelegd, die volgens hem in totaal € 3.030,-- per maand bedragen. Appellant heeft de in het overzicht opgevoerde bedragen echter niet met verifieerbare gegevens onderbouwd, zodat de juistheid daarvan niet is vast te stellen.

4.4. Het college heeft geen specifiek beleid vastgesteld met betrekking tot de kwijtschelding van Bbz-vorderingen. Bij de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding als dat van appellant sluit het college aan bij de beleidsregels met betrekking tot afzien van terug- en invordering. In paragraaf 5.5 van die beleidsregels zijn de situaties benoemd waarin kan worden afgezien van verdere invordering. Geen van die situaties doet zich in het geval van appellant voor. Aan appellant is weliswaar van 2003 tot 2007 uitstel van betaling verleend, maar daarmee voldoet hij niet aan de in deze paragraaf benoemde situatie dat men gedurende vijf jaar geen betaling dient te hebben verricht vanwege onvoldoende aflossingscapaciteit. De onder 3 vermelde omstandigheden waarop appellant zich beroept, vormen geen grond voor het oordeel dat het college niettemin tot kwijtschelding had moeten overgaan.

4.5. Voor zover appellant met zijn betoog dat het college de schuld dient kwijt te schelden omdat sinds de beëindiging van zijn bedrijf op 1 april 2005 vijf jaren zijn verstreken, een beroep beoogt te doen op artikel 43, tweede lid, van het Bbz 2004, heeft het college in het bestreden besluit 2 terecht opgemerkt dat deze bepaling op de situatie van appellant niet van toepassing is reeds omdat hem bijstand is, verleend in de kosten van levensonderhoud, terwijl artikel 43 ziet op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.6. Uit 4.3 tot en met 4.5 vloeit voort dat ook dit hoger beroep niet slaagt, zodat ook aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt. Dit brengt tevens mee dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraken;

-wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2013.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) B. Rikhof

TM