Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6717

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
11/6127 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:5292, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering. De Raad heeft op 25 juli 2012 (LJN BX3345) een tussenuitspraak gedaan. Hoewel er geen volledige zekerheid bestaat omtrent de vraag hoe ernstig de bedoelde vermoeidheidsklachten precies waren op de datum dat de verzekering een aanvang nam, is het gelet op de voorhanden gegevens voldoende aannemelijk te achten dat betrokkene op die datum ongeschikt was om licht productiewerk te verrichten, en in elk geval voor het fulltime verrichten van het werk waarmee hij op die datum startte. Het bestreden besluit kan derhalve in rechte stand houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6127 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 september 2011, 10/5399 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 25 juli 2012 (LJN BX3345) een tussenuitspraak gedaan.

Appellant heeft naar aanleiding daarvan een reactie van 8 oktober 2012 aan de Raad gezonden, alsmede rapporten van bezwaarverzekeringsarts E.H. The-van Leeuwen en bezwaararbeidsdeskundige M.B. Ooms-van der Klaauw, aangevuld met enkele brieven van de behandelend internist van betrokkene.

Namens betrokkene is daarop gereageerd bij brief van 17 december 2012.

De Raad heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uiteenzetting van de voor deze zaak van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de tussenuitspraak van 25 juli 2012. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

1.2. De Raad heeft in voormelde tussenuitspraak overwogen dat er gebreken kleven aan het besluit van 16 november 2010 (bestreden besluit), waarbij betrokkene met ingang van 4 november 2009 uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) is geweigerd, omdat de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte reeds bestond op het moment dat diens verzekering een aanvang nam. Met name is door appellant verzuimd informatie in te winnen bij de behandelend internist van betrokkene omtrent de aard en de omvang van de schildklierklachten en de gevolgde behandeling. Tevens dient alsnog een onderzoek te worden ingesteld naar de werkzaamheden waarmee betrokkene op 1 november 2009 is gestart en de daaraan verbonden belasting.

2. Appellant heeft op 8 oktober 2012 onder meer een rapport van 26 september 2012 van de bezwaararbeidsdeskundige ingezonden. Daarin wordt vermeld dat het werk waarmee betrokkene op 1 november 2009 startte, licht assemblage- en inpakwerk betrof gedurende 36 uur per week, dat afwisselend zittend en staand kon worden verricht. Tevens heeft appellant twee brieven van 23 juni 2010 en 7 juni 2011 van internist J.W.F. Elte in het geding gebracht. In eerstgenoemde brief vermeldt deze dat door de huisarts in oktober 2009 bij betrokkene hypothyreoïdie was vastgesteld, in verband waarmee werd gestart met de medicatie Thyrax, gedoseerd op 50 microgram per dag. Ondanks het gebruik van dit medicijn bleef betrokkene last houden van vermoeidheidsklachten, welke hij volgens de internist ook in de jaren ervoor had ervaren, zij het in minder ernstige mate. Door de internist is de dosis van het medicijn verhoogd naar 75 microgram per dag. In de brief van 7 juni 2011 stelt Elte dat met de genoemde dosis Thyrax inmiddels sprake is van een adequaat ingestelde suppletie van de schildklier en dat betrokkene is terugverwezen naar de huisarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft er in haar rapport van 21 september 2012 op gewezen dat de door de internist in 2010 gemeten laboratoriumwaarden passen bij een (nog) niet adequaat ingestelde schildklierfunctie en dat de door betrokkene - ook naar eigen zeggen - al voor 1 november 2009 ervaren vermoeidheidsklachten daarmee samenhangen.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene voordat hij op 1 november 2009 licht productiewerk ging verrichten niet ingevolge de ZW verzekerd was. Op grond van de hiervoor weergegeven informatie van de behandelend internist, gelezen in samenhang met de informatie van de huisarts van 20 mei 2010 waarover de verzekeringsarts al bij zijn rapportage van 4 juni 2010 beschikte, moet worden aangenomen dat betrokkene al voor 1 november 2009 last had van een vertraagd werkende schildklier, daardoor vermoeidheidsklachten ondervond en in verband daarmee medicatie gebruikte. Uit de informatie van de internist volgt dat de dosis van het gebruikte medicijn na de ziekmelding van betrokkene op 4 november 2009 is verhoogd en dat eerst in 2010/2011 sprake was van een adequaat ingestelde functie van de schildklier. Hoewel er geen volledige zekerheid bestaat omtrent de vraag hoe ernstig de bedoelde vermoeidheidsklachten precies waren op

1 november 2009, de datum dat de verzekering een aanvang nam, is het gelet op de voorhanden gegevens voldoende aannemelijk te achten dat betrokkene op die datum ongeschikt was om licht productiewerk te verrichten, en in elk geval voor het fulltime verrichten van het werk waarmee hij op 1 november 2009 startte. Het bestreden besluit kan derhalve in rechte stand houden.

4. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, behoudens voor zover het betreft de veroordeling van appellant in de proceskosten en het vergoeden van griffierecht. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

5. Nu appellant eerst in hoger beroep naar aanleiding van de tussenuitspraak een deugdelijke motivering van het bestreden besluit heeft gegeven, ziet de Raad aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 236,-- wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover het betreft de veroordeling van appellant in de proceskosten en het vergoeden van griffierecht;

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 236,--.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en C.C.W. Lange en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D.E.P.M. Bary

TM