Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6691

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
10-04-2013
Zaaknummer
11/4963 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4963 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 juli 2011, 11/1087 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

Datum uitspraak 9 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T.C. Rebergen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. Rebergen heeft zich bij op 22 maart 2012 binnengekomen fax als gemachtigde teruggetrokken.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 26 februari 2013, waar partijen, het college met bericht vooraf, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand van 27 juni 1994 tot 10 juli 2010 met onderbrekingen, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 26 juli 2010 heeft het college, voor zover hier van belang, de bijstand van appellante met ingang van 25 maart 2010 verlaagd met 10% voor de duur van een maand. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft gereageerd op oproepen voor gesprekken op 2 en op 8 december 2009. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

1.3. Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft het college de bijstand met ingang van 10 juli 2010 ingetrokken op de grond dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat appellante niet heeft gereageerd op oproepen voor gesprekken op 10 en op 30 juli 2010 over haar recht op bijstand. Daarbij heeft het college medegedeeld dat sprake is van een maatregelwaardige gedraging en tevens vermeld dat indien appellante binnen 12 maanden opnieuw bijstand gaat ontvangen, beoordeeld zal worden of zij alsnog een maatregel opgelegd krijgt. Tegen het besluit van 2 augustus 2010 heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4. Appellante heeft zich op 1 oktober 2010 gemeld om bijstand aan te vragen, met als ingangsdatum 10 juli 2010. Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft het college aan appellante met ingang van 1 oktober 2010 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij is de gevraagde bijstand over de periode van 10 juli 2010 tot 1 oktober 2010 geweigerd. Voorts heeft het college de bijstand met ingang van 1 oktober 2010 verlaagd met 10% voor de duur van twee maanden, omdat appellante niet heeft gereageerd op oproepen van gesprekken op 10 juli en op 30 juli 2010.

1.5. Bij besluit van 15 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 oktober 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. Appellante is een bekende zorgklant van de gemeente, die de laatste jaren meerdere malen is verhuisd waarvoor zij telkens de verhuiskosten heeft moeten dragen, terwijl zij niet goed op de hoogte is van de geldende regels vanuit de WWB en de Nederlandse taal slechts zeer beperkt machtig is. Om deze redenen is ook de maatregel disproportioneel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aanvraag

4.1. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 10 juli 2010 tot 1 oktober 2010.

4.2. De Raad stelt, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 23 maart 2010, LJN BM0861, voorop dat in het onderhavige geval aanleiding bestaat om onderscheid te maken in twee periodes met een verschillend toetsingskader.

4.3. De eerste beoordelingsperiode is de periode van 10 juli 2010 tot en met 2 augustus 2010. Voor die periode dient de aanvraag te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het onder 1.1 vermelde en in rechte onaantastbaar geworden besluit van 2 augustus 2010 tot intrekking van de bijstand met ingang van 10 juli 2010. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

4.4. Appellante is daarin niet geslaagd. Zoals naar voren komt uit de aan het besluit van 2 augustus 2010 ten grondslag liggende gegevens heeft het college appellante tweemaal tevergeefs opgeroepen voor een gesprek in verband met onduidelijkheden met betrekking tot haar woon- en leefsituatie. De door appellante aangedragen omstandigheden bevatten geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan het college aanleiding had moeten zien om van zijn eerdere besluit van 2 augustus 2010 terug te komen.

4.5. De tweede periode betreft de periode van 3 augustus 2010 tot 1 oktober 2010. Over deze periode heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden. Nu deze periode ligt voor de datum van de aanvraag wordt volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) over deze periode in beginsel geen bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.

4.6. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot het oordeel hebben geleid dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellante voor bijstand met terugwerkende kracht in aanmerking komt. Niet is gebleken dat appellante niet eerder dan op 1 oktober 2010 in staat was om bijstand aan te vragen. In dit verband is van belang dat appellante over een sociaal netwerk beschikt, dat zij wordt bijgestaan door haar zoon en dat zij voor hulp terecht kan bij het zogeheten vangnetteam. Voor een ander oordeel ziet de Raad in de door appellante aangevoerde omstandigheden temeer geen aanleiding omdat appellante goed bekend was met het aanvragen van bijstand nu zij ook in het recente verleden meerdere keren bijstand heeft aangevraagd.

4.7. Het college heeft dan ook terecht geweigerd aan de toekenning van bijstand terugwerkende kracht tot 2 augustus 2010 te verlenen.

Maatregel

4.8. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante door niet op de oproepen voor gesprekken op 10 en op 30 juli 2010 te reageren, de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dit is een maatregelwaardige gedraging als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Maatregelverordening. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was dan ook op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand van appellante te verlagen. Aangezien bij het besluit van 26 juli 2010 reeds een maatregel vanwege eenzelfde gedraging was opgelegd, heeft het college terecht met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Maatregelverordening de duur van de maatregel met een maand verlengd.

4.9. In hetgeen appellante heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat de maatregel, gelet op de ernst van de gedraging, de mate waarin appellante de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin zij verkeert, dient te worden gematigd. Niet is gebleken dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellante. De omstandigheid dat zij een zorgklant is, leidt niet tot een ander oordeel.

4.10. Gezien 4.1 tot en met 4.9 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en A.J. Schaap en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) A.C. Oomkens

HD