Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6652

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
10-04-2013
Zaaknummer
11/6147 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk bezwaar. Mededeling over betaalverplichting voordat intrekkings-en terugvorderingsbesluit bekend is gemaakt. Informatief. Niet op rechtsgevolg gericht. Geen besluit. De Raad deelt het ter zitting door het college ingenomen standpunt dat de strekking van de brief van 9 oktober 2010, ondanks de onjuiste informatie die daaraan ten grondslag ligt, nog steeds van informatieve aard is, dat daarmee geen rechtsgevolgen in het leven worden geroepen en dat het daartegen gerichte bezwaar dus niet-ontvankelijk is. Ook nu vast staat dat het intrekkings- en terugvorderingsbesluit op 9 oktober 2010 nog niet was verzonden, is de op 9 oktober 2010 gedane mededeling niet op enig rechtsgevolg gericht, en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Anders dan appellant betoogt kan in deze brief niet impliciet het intrekkings- en terugvorderingsbesluit worden gelezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Algemene wet bestuursrecht 8:5a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6147 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 september 2011, 11/477 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak 9 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2013. Voor appellante is

mr. Moghni verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.E. Braak.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 2 juni 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 14 december 2009 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 14 december 2009 tot en met 31 januari 2010 tot een bedrag van € 1.166,83 van appellante teruggevorderd. Daartoe is overwogen dat appellante sinds

14 december 2009 niet langer in Rotterdam woont, waarvan zij ten onrechte geen mededeling had gedaan aan het college.

1.3. Bij besluit van 1 juni 2011 heeft het college het tegen het intrekkings- en terugvorderingsbesluit van 23 februari 2010 gemaakte bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschuldigde griffierecht niet tijdig was betaald.

1.4. Bij brief van 9 oktober 2010 heeft het hoofd T&V aan appellante bericht dat zij een betalingsverplichting heeft aan de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) van de gemeente Rotterdam vanwege een openstaande vordering en/of haar onderhoudsplicht. Verzocht is om binnen 1 maand deze verplichting na te komen door € 971,77 over te maken.

1.5. Bij besluit van 4 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het door appellante tegen de brief van 9 oktober 2010 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat appellante alleen bezwaar kan maken tegen een besluit van het college waarmee haar rechten zijn veranderd en dat in dit geval haar rechten niet zijn veranderd, omdat de schuld al vaststond.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de brief van 9 oktober 2010 niet op rechtsgevolg is gericht en derhalve niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het rechtsgevolg dat ziet op de herziening (lees: intrekking) en de terugvordering ligt volgens de rechtbank immers reeds vast in het besluit van 23 februari 2010. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het college het besluit van 23 februari 2010 pas bij brief van 1 maart 2011 op de voorgeschreven wijze aan appellante bekend heeft gemaakt.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat het besluit van 23 februari 2010 pas op 1 maart 2011 aan haar is bekendgemaakt. Dit houdt in dat de brief van 9 oktober 2010 wel op rechtsgevolg is gericht en een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op 9 oktober 2010 is immers aan haar bekendgemaakt dat sprake is van een terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand en van een openstaande schuld die zij nog moet voldoen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het bestreden besluit gaat ten onrechte ervan uit dat appellante op 9 oktober 2010 al bekend was met de terugvordering en dat de schuld al bestond. Immers, het intrekkings- en terugvorderingsbesluit van 23 februari 2010 is, zoals ook het college heeft erkend, pas op 1 maart 2011 aan appellante verzonden. Dit betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust, omdat daarin ten onrechte is vermeld dat de schuld al vaststond. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen.

4.3. De Raad deelt het ter zitting door het college ingenomen standpunt dat de strekking van de brief van 9 oktober 2010, ondanks de onjuiste informatie die daaraan ten grondslag ligt, nog steeds van informatieve aard is, dat daarmee geen rechtsgevolgen in het leven worden geroepen en dat het daartegen gerichte bezwaar dus niet-ontvankelijk is. Ook nu vast staat dat het intrekkings- en terugvorderingsbesluit op 9 oktober 2010 nog niet was verzonden, is de op 9 oktober 2010 gedane mededeling niet op enig rechtsgevolg gericht, en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Anders dan appellant betoogt kan in deze brief niet impliciet het intrekkings- en terugvorderingsbesluit worden gelezen. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 944,-- in beroep en op € 944,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal op € 1.888,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 4 januari 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.888,--;

-bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman en in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) J.T.P. Pot

IvR