Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
11/3155 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functietypering. Terughoudende toetsing. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat de functie van de Beleidsadviseur arbeidsvoorwaarden en rechtspositie een vergelijkbare functie zou zijn die in een andere typering is ingedeeld. De Raad volstaat met vermelding van bijvoorbeeld diens taak om arbeidsvoorwaardenbeleid en regelgeving te ontwikkelen. De stelling van appellante dat het college het benodigde opleidingsniveau bij de vervulling van functies niet meer van belang acht nadat eenmaal een functie getypeerd is, kan evenmin worden gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3155 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 april 2011, 10/1618 AW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Helder (college)

Datum uitspraak 4 april 2013.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad hebben partijen inlichtingen gegeven en nadere stukken ingezonden.

Na de schriftelijke kennisgeving van de behandeling van het hoger beroep ter zitting van een meervoudige kamer heeft deze met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet het geding verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2013. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Burger, advocaat.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was vanaf 1 januari 1999 bij de gemeente Den Helder ingepast in de functie van beleidsmedewerkster met een functieniveau 10 bij de afdeling Sociale en maatschappelijke zaken van de dienst Welzijn. Bij een reorganisatie per 1 januari 2004 is appellante geplaatst in de functie beleidsadviseur bij de afdeling Sociale Zaken, team Juridische Zaken, onderdeel Beleid/Bezwaar en Beroep. Op 17 juni 2008 heeft het college een nieuw functieboek vastgesteld waarin (nieuwe) typeringen zijn opgenomen van de functies bij de gemeente Den Helder. Vervolgens is bij besluit van 26 juni 2008 de functietypering van de functie Medewerker beleid/specialist C op appellante van toepassing verklaard. Het bij deze functie behorende functieniveau is (salarisschaal) 9. Na bezwaar heeft het college bij besluit van 26 mei 2009 de functietypering van de functie Medewerker beleid/specialist C aangepast door toevoeging van de kerntaak ‘vertegenwoordiging in rechte’. Dit heeft niet geleid tot een hogere functiewaardering en salarisschaal. De indeling van appellante in de functie Medewerker beleid/specialist C is gehandhaafd. Na de vernietiging van het besluit van 26 mei 2009 door de rechtbank heeft het college bij besluit van 15 juli 2010 het bezwaar tegen de toegepaste functietypering wederom ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de toepassing van de functietypering niet onhoudbaar geoordeeld en daarom de rechtsgevolgen van het (vanwege de overschrijding van de redelijke termijn) vernietigde besluit in stand gelaten. Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de het oordeel van de rechtbank over de toegepaste functietypering.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De vraag of de inpassing van appellante in de functie Medewerker beleid/specialist C in rechte houdbaar is dient te worden beantwoord aan de hand van een terughoudende toetsing. De Raad verwijst daarbij naar zijn vaste rechtspraak (CRvB 17 maart 2011, LJN BP966). De Raad zal zich daarom, naast de overigens in aanmerking komende toetsing aan regels van geschreven en ongeschreven recht, beperken tot de vraag of de inpassing van appellante op voldoende gronden berust.

3.2. Appellante meent dat haar de functie van Medewerker beleid/specialist A of B had behoren te worden toegekend. Zij beroept zich erop dat haar werkzaamheden vanaf 1995 niet veranderd zijn en dat zij met regelmaat diepgaand beleidswerk doet. Afdelingsmanager J.B. heeft ook geadviseerd haar functie in de functietypering Medewerker beleid/specialist B te plaatsen. In de gedingstukken heeft de Raad geen aanknopingspunt aangetroffen voor het door appellante verrichten van de kerntaken die niet behoren tot de functie van Medewerker beleid/specialist C. Zo heeft appellante desgevraagd ter zitting geen concrete beleidsstukken of integrale adviezen/rapporten inzake beleidsvoornemens genoemd, die zij zou hebben ontwikkeld. Een overzicht van de vastgestelde doelstellingen en aandachtspunten, dat appellante op 12 februari 2009 voor akkoord heeft getekend wijst evenmin op het verrichten van dergelijke werkzaamheden.

3.3. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat de functie van de Beleidsadviseur arbeidsvoorwaarden en rechtspositie een vergelijkbare functie zou zijn die in een andere typering is ingedeeld. De Raad volstaat met vermelding van bijvoorbeeld diens taak om arbeidsvoorwaardenbeleid en regelgeving te ontwikkelen.

3.4. De stelling van appellante dat het college het benodigde opleidingsniveau bij de vervulling van functies niet meer van belang acht nadat eenmaal een functie getypeerd is, kan evenmin worden gevolgd. De enkele omstandigheid dat het college vanwege de situatie op de arbeidsmarkt in advertenties voor vacatures wel eens een breder scala aan opleidingen noemt dan als functie-eis geldt, is daarvoor onvoldoende. De Raad laat overigens ter zijde of een ander oordeel hierover zou hebben kunnen leiden tot het door appellante gewenste resultaat.

3.5. Het hoger beroep van appellante slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2013.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M.R. Schuurman

KR