Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6627

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
10-04-2013
Zaaknummer
11/4412 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Uit de relatie tussen appellante en haar voormalige echtgenoot zijn drie kinderen geboren. Gezien het arrest van de Hoge Raad (LJN BH2580) is niet van belang of de uit de relatie geboren kinderen al dan niet ouder zijn dan 18 jaar. Hoofdverblijf in dezelfde woning? Schending inlichtingenverplichting. Voor een deel van de in geding zijnde periode kan geen gezamenlijke huishouding worden aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4412 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

22 juni 2011, 10/1959 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

Datum uitspraak 9 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het college is vertegenwoordigd door W. de Jong.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van het volgende.

1.1. Appellante ontving met ingang van 26 september 2008 een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande. Naar aanleiding van een tip over de woon- en leefsituatie van appellante heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld. In dit kader zijn onder meer appellante en haar voormalige echtgenoot [naam voormalige echtgenoot] gehoord, hebben van 2 november 2009 tot en met 4 december 2009 waarnemingen plaatsgevonden en is onderzoek gedaan naar het mobiele telefoongebruik door [voormalige echtgenoot]. De bevindingen en conclusies van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 juni 2010.

1.2. Het college heeft bij besluit van 17 juni 2010 de aan appellante verleende bijstand met ingang van 1 maart 2009 ingetrokken, omdat appellante geen melding had gemaakt van het feit dat zij met [voormalige echtgenoot] in ieder geval met ingang van 1 maart 2009 een gezamenlijke huishouding voerde. Het college heeft verder de over de periode van 1 maart 2009 tot en met 31 mei 2010 ten onrechte gemaakte kosten van de aan appellante verleende bijstand tot een bedrag van € 15.842,07 bruto van haar teruggevorderd. Appellante heeft tegen het besluit van 17 juni 2010 bezwaar gemaakt.

1.4. Het college heeft bij besluit van 6 oktober 2010 het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de bijstand met ingang van 1 juni 2009 ingetrokken. De periode van terugvordering heeft het college nader bepaald op 1 juni 2009 tot en met 31 mei 2010 en het terugvorderingsbedrag op € 12.444,14 bruto. Voor het overige heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het besluit van 6 oktober 2010 beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de relatie van appellante en [voormalige echtgenoot] kinderen zijn geboren, zodat er sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b van de WWB. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoeksrapport voldoende grond biedt om aan te nemen dat appellante en [voormalige echtgenoot] met ingang van 1 juni 2009 hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante en dat zij daarom vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voerden. Omdat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden was het college bevoegd om de bijstand met ingang van 1 juni 2009 in te trekken en de over de periode van 1 juni 2009 tot en met 31 mei 2010 gemaakte kosten aan bijstand terug te vorderen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft gesteld dat het onweerlegbare rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b van de WWB niet kan worden aangenomen, omdat de uit de relatie tussen haar en [voormalige echtgenoot] geboren kinderen ouder zijn dan 18 jaar. Verder heeft zij aangevoerd dat uit de verklaringen van appellante en [voormalige echtgenoot] niet geconcludeerd kan worden dat hij hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante. Uit verklaringen van buurtbewoners is volgens appellante het tegendeel af te leiden. De observaties en de mobiele telefoonregistraties kunnen ten slotte niet bijdragen aan het bewijs.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 1 juni 2009 tot en met 31 mei 2010 (periode hier van belang).

4.2. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht als de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Uit de relatie tussen appellante en [voormalige echtgenoot] zijn drie kinderen geboren. Zoals ter zitting al is besproken, is gezien het arrest van

25 september 2009 van de Hoge Raad (LJN BH2580) voor de toepassing van deze bepaling niet van belang of de uit de relatie geboren kinderen al dan niet ouder zijn dan 18 jaar.

4.4. Voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom bepalend of appellante en [voormalige echtgenoot] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.5. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat van een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken

4.6. Het standpunt van het college dat [voormalige echtgenoot] met ingang van 1 juni 2009 hoofdverblijf bij appellante had, is vooral gebaseerd op de verklaringen appellante en [voormalige echtgenoot]. Deze verklaringen alleen zijn echter onvoldoende voor die conclusie. De onderzoeksgegevens bieden wel voldoende grondslag voor de conclusie dat [voormalige echtgenoot] vanaf 1 november 2009 zijn hoofdverblijf in de woning van appellante had.

4.6.1. Appellante heeft op 26 mei 2010 tegen de sociale recherche verklaard dat [voormalige echtgenoot] vaker bij haar komt sinds hun zoon [R.] weer thuis woont. Blijkens de verklaring van appellante was dit in februari 2010. [voormalige echtgenoot] heeft in het begin na aankoop van zijn huis in [naam gemeente], in februari 2008, in dat huis gewoond. De eerste acht tot tien maanden woonde hij daar. Hij voelde zich daar echter niet thuis. In appellantes huis liggen de herinneringen en dat huis is hen dierbaar. [voormalige echtgenoot] is al bezig om van het huis in [naam gemeente] af te komen.

4.6.2. [voormalige echtgenoot] heeft op 26 mei 2010 tegen de sociale recherche verklaard dat hij niet in zijn huis in [naam gemeente] woont en dat dit al sinds meer dan een half jaar zo is. Hij is ongeveer een half jaar geleden bij appellante gaan wonen. Sinds hij het huis in [naam gemeente] had, woonde hij aanvankelijk het meest in [naam gemeente]. Zo langzamerhand is het gegroeid dat hij steeds meer in Zwolle is gebleven. In het begin at hij altijd in [naam gemeente], maar later bleef hij vaak bij appellante eten. Hij bleef ook steeds vaker slapen bij appellante. Het samenwonen en het herstel van de relatie met appellante slopen er in de tijd weer in.

4.6.3. Uit de gedingstukken blijkt dat [voormalige echtgenoot] in februari 2008 het huis in [naam gemeente] heeft gekocht. De verklaringen van [voormalige echtgenoot] en appellante zijn onafhankelijk van elkaar afgenomen. Ze stemmen in die zin overeen dat zij ervan uitgaan dat [voormalige echtgenoot] in de periode oktober/november 2009 bij appellante is gaan wonen. Weliswaar hebben appellante en [voormalige echtgenoot] ten overstaan van de sociale recherche ook verklaard dat de samenwoning vanaf juni 2009 kan zijn, maar uit de verklaringen blijkt dat zij dat hebben gezegd nadat de sociale rechercheurs aan hen deze datum hebben voorgehouden. Alles overziend komt het meest aannemelijk voor dat [voormalige echtgenoot] rond 1 november 2009 bij appellante is gaan wonen.

4.6.4. De mobiele telefoonregistraties bieden onvoldoende bewijs dat van een eerdere datum dan 1 november 2009 moet worden uitgegaan. Dat geldt ook voor de waarnemingen die hebben plaatsgevonden van 2 november 2009 tot en met 4 december 2009 en voor de verklaringen die zijn gekregen uit het buurtonderzoek.

4.7. Appellante heeft niet gemeld dat zij vanaf 1 november 2009 met [voormalige echtgenoot] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Daarmee heeft zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Die schending brengt met zich dat appellante vanaf die datum ten onrechte bijstand is verleend. Het college was dus bevoegd de bijstand vanaf die datum in te trekken.

4.8. De rechtbank heeft niet onderkend dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor intrekking over de periode van 1 juni 2009 tot 1 november 2009. In zoverre treft het hoger beroep doel. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 6 oktober 2010 met betrekking tot de intrekking in zoverre vernietigen. Voorts zal de Raad, zelf voorziende in de zaak, het besluit van 17 juni 2010 herroepen voor zover dat betrekking heeft op de intrekking over de periode van 1 juni 2009 tot 1 november 2009, en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Daartoe wordt overwogen dat, gelet op het tijdsverloop, het uitgesloten is te achten dat het gebrek dat kleeft aan het bestreden besluit nu nog kan worden hersteld.

4.9. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het college niet bevoegd was de over de periode van 1 juni 2009 tot 1 november 2009 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Het college was wel op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot terugvordering over de periode van 1 november 2009 tot en met

31 mei 2010. In aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, komt het besluit van 6 oktober 2010 met betrekking tot de terugvordering, waarbij een bedrag van € 12.444,14 van appellante is teruggevorderd, geheel voor vernietiging in aanmerking.

4.10. De Raad kan de berekening van het terugvorderingsbedrag niet zelf maken. Nu bovendien de toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding, zal op dit punt een opdracht worden gegeven tot het nemen van een nieuw besluit.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op in totaal € 1.888,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- vernietigt het besluit van 6 oktober 2010, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking

over de periode van 1 juni 2009 tot 1 november 2009;

- herroept het besluit van 17 juni 2010 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking over

de periode van 1 juni 2009 tot 1 november 2009 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats

treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 6 oktober 2010;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2010 gegrond voor zover dat betrekking

heeft op de terugvordering en vernietigt dat besluit in zoverre;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op

bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.888,--;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en A.J. Schaap en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

ew