Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6424

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
11/4182 ANW + 11/4183 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking halfwezenuitkering met (volledig) terugwerkende kracht. Terugvordering. Schending inlichtingenplicht. Nu niet in geschil is dat het kind sinds april 2009 niet meer tot het huishouden van appellant behoorde heeft de Svb terecht het recht van appellant op de halfwezenuitkering beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4182 ANW

11/4183 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 juni 2011, 10/1061 en 10/1194 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 5 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.M.J. Graus, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2013. Namens appellant is mr. Graus verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft in september 2008 bij de Svb een aanvraag om een nabestaanden en/of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) ingediend. Hij heeft daarbij vermeld dat hij de zorg op zich heeft genomen voor [naam kind], kind van zijn overleden partner [naam overleden partner].

1.2. Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft de Svb aan appellant met ingang van september 2008 een halfwezenuitkering toegekend. Daarbij is overwogen dat [naam kind] door het overlijden van zijn moeder op 28 april 2008, halfwees is geworden. Omdat [naam kind] duurzaam tot het huishouden van appellant behoort, komt appellant in aanmerking voor een halfwezenuitkering.

1.3. Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft de Svb appellant meegedeeld dat hij met ingang van april 2008 recht heeft op een halfwezenuitkering. Uit onderzoek is gebleken dat [naam kind] reeds in april 2008 duurzaam tot het huishouden van appellant is gaan behoren en hij vanaf die tijd overwegend de verzorging van [naam kind] op zich heeft genomen.

1.4. Bij besluit van 9 december 2009 heeft de Svb vastgesteld dat appellant vanaf 6 maart 2010 niet meer voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een halfwezenuitkering, omdat [naam kind] op die datum achttien jaar wordt. Appellant ontvangt nog tot en met 31 maart 2010 een halfwezenuitkering.

1.5. Bij besluit van 15 december 2009 heeft de Svb meegedeeld dat het besluit van 9 december 2009 is vervallen en appellant meegedeeld dat zijn recht op een halfwezenuitkering eindigt met ingang van 1 mei 2009, aangezien uit onderzoek is gebleken dat [naam kind] vanaf 29 april 2009 niet langer tot het huishouden van appellant behoort.

1.6. Met een brief van - eveneens - 15 december 2009 heeft de Svb appellant meegedeeld dat een bedrag van € 1.838,23 aan te veel ontvangen halfwezenuitkering van hem zal worden teruggevorderd en is hem een betalingsregeling voorgesteld.

1.7. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen de beëindiging en terugvordering van de halfwezenuitkering. Daarbij is aangevoerd dat appellant ten behoeve van [naam kind] een uitkering heeft aangevraagd, omdat [naam kind] minderjarig was en geen andere vertegenwoordiger had. Appellant heeft nimmer zelf rechten en/of plichten met de Svb heeft willen aangaan. De te betalen uitkering is rechtstreeks overgemaakt op de bankrekening van [naam kind] en appellant zelf heeft nimmer een bedrag ontvangen.

1.8. Bij beslissing op bezwaar van 23 juni 2010 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 december 2009 ongegrond verklaard.

1.9. Bij beslissing op bezwaar van - eveneens - 23 juni 2010 (bestreden besluit 2) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen de in overweging 1.6 vermelde terug- en invordering niet-ontvankelijk verklaard.

2.1. Nadat appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 bij de rechtbank beroep had ingesteld, heeft de Svb op 2 november 2010 een nieuw besluit genomen op het bezwaar van appellant tegen de terugvordering en wijze van terugbetaling (bestreden besluit 3) en dit bezwaar alsnog ontvankelijk geacht en vervolgens ongegrond verklaard.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 3 ongegrond verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard onder veroordeling van de Svb in de door appellant gemaakte kosten in verband met het beroep tegen het bestreden besluit 2.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat appellant zelf de aanvraag tot toekenning van een halfwezenuitkering heeft ingediend en ondertekend. Op grond van artikel 22 van de ANW komt het recht op een halfwezenuitkering toe aan de ouder of verzorger van een halfwees en niet aan de halfwees zelf. Dit blijkt ook uit alle aan appellant toegezonden informatie. Door het aanvragen van de uitkering is appellant zelf een relatie met de Svb aangegaan met de daarbij behorende rechten en verplichtingen. De verhouding tussen appellant en de Svb wordt bepaald door de inhoud en strekking van de ANW en niet door de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, zoals door de gemachtigde van appellant is gesuggereerd. Dat appellant om hem moverende redenen ervoor heeft gekozen de hem toekomende halfwezenuitkering rechtstreeks aan [naam kind] te laten uitbetalen, is een beslissing die voor rekening van appellant komt en maakt het bovenstaande niet anders. De rechtbank heeft geen dringende redenen gezien die de Svb hadden moeten nopen van intrekking van de halfwezenuitkering met (volledig) terugwerkende kracht af te zien. Appellant heeft nimmer melding gemaakt van het feit dat [naam kind] niet meer tot zijn huishouden behoorde, terwijl hij uit de aan hem gerichte correspondentie had kunnen opmaken dat die informatie van invloed kon zijn op zijn recht op uitkering. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat tegen het bestreden besluit 3 geen specifieke op de terugvordering gerichte beroepsgronden zijn ingebracht. Appellant heeft in beroep tegen dat besluit uitsluitend aangevoerd dat hij ten onrechte door de Svb wordt aangesproken. Volgens appellant moet de Svb zich tot [naam kind] of zijn vader wenden. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit hetgeen met betrekking tot de intrekking van de halfwezenuitkering is overwogen voortvloeit dat de Svb zich terecht tot appellant heeft gewend, nu hij degene is die de halfwezenuitkering ten onrechte heeft ontvangen.

3. In hoger beroep zijn namens appellant alleen gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het beroep tegen de besluiten 1 en 3. Daarbij is in essentie het in bezwaar en beroep aangevoerde standpunt herhaald dat erop neerkomt dat niet aan appellant maar aan [naam kind] de halfwezenuitkering is toegekend en uitgekeerd en dat daarom ten onrechte de uitkering van appellant wordt teruggevorderd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Daarbij beperkt de Raad zich - in lijn met het hoger beroep - tot de gronden tegen het oordeel van de rechtbank over de besluiten 1 en 3.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de gedingstukken is gebleken dat appellant zelf een aanvraag om een halfwezenuitkering heeft ingediend en dat deze uitkering ook aan hem als de rechthebbende is toegekend. Nu niet in geschil is dat [naam kind] sinds april 2009 niet meer tot het huishouden van appellant behoorde heeft de Svb terecht met ingang van 1 mei 2009 het recht van appellant op de halfwezenuitkering beëindigd. Eveneens wordt de rechtbank gevolgd in het oordeel dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat [naam kind] niet meer tot zijn huishouden behoorde. Ook worden onderschreven de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de intrekking van de halfwezenuitkering met (volledig) terugwerkende kracht en de daaruit voortvloeiende terugvordering. Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat geen nieuwe gezichtspunten en leidt niet tot een ander oordeel.

4.2. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) G.J. van Gendt

JL