Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
11/4944 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geen aanknopingspunten om aan te nemen dat in verband met de maagklachten de belastbaarheid van appellante in de FML is overschat. Het standpunt van appellante dat zij meerdere migraine aanvallen per week heeft, wordt niet bevestigd door de beschikbare medische gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4944 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 juli 2011, 11/1601 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 5 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld en daarbij overgelegd een rapport van de revalidatiearts Q.M. van Veen-Snijders van 10 februari 2011.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij gevoegd een reactie van de bezwaarverzekeringsarts A.J.D. Versteeg van 13 september 2011.

Mr. Molenaar heeft bij brief van 8 februari 2013 nog een aantal medische stukken overgelegd. Hierop heeft het Uwv op 18 februari 2013 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar en haar vrienden [vriend 1] en [vriend 2]. Het Uwv heeft zich - met kennisgeving - niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als tandartsassistente toen zij zich met ingang van 24 november 2008 ziek meldde met nek- en schouderklachten. Voorts was sprake van migraine en psychische klachten.

2. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 6 september 2010 onderzocht door een verzekeringsarts. In het rapport van 5 oktober 2010 vermeldde de verzekeringsarts bij de anamnese dat de behandelende reumatoloog Cats de diagnose fibromyalgie heeft gesteld en dat zij in verband met een depressieve periode in behandeling bij de GGZ inGeest is geweest. Bij het psychisch en lichamelijk onderzoek nam de verzekeringsarts geen bijzonderheden waar. Rekening houdende met de ervaren pijnklachten en de bij het onderzoek niet als ernstig imponerende psychische klachten concludeerde de verzekeringsarts dat appellante aangewezen was op fysiek niet te zware werkzaamheden en op rustige, overzichtelijke werkzaamheden zonder te veel eisen aan conflicthantering. De beperkingen legde deze arts vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 oktober 2010. Bij het arbeidskundig onderzoek werd bij functieduiding vastgesteld dat het loonverlies 31,70% was. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 22 oktober 2010 vast dat voor appellante met ingang van 22 november 2010 geen recht was ontstaan op een

Wet WIA-uitkering.

3.1. In de bezwaarprocedure kwam informatie van de behandelaars van GGZ inGeest van 1 november 2010 en 12 januari 2011 beschikbaar. Daaruit kwam naar voren dat appellante wat betreft de psychiatrische klachten (depressieve en PTSS-klachten) was opgeknapt en dat zij bij periodes actiever was geworden. Wel was nog sprake van bovengemiddelde pijnklachten. In een brief van een pijngeneeskundige van het Amstelland Ziekenhuis van 30 december 2010 werd vermeld dat op een spreekuur in juni 2010 en halverwege december 2010 de pijnklachten met de ingestelde medicatie acceptabel waren, maar dat appellante wel last had van haar fibromyalgie.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek besprak de in 3.1 vermelde medische informatie en concludeerde dat de FML aansloot bij de gestelde diagnosen en het klinisch beeld. Bij het arbeidskundig onderzoek in bezwaar verviel de functie brugwachter, sluitwachter (SBC-code 282170) en werden, omdat nog maar twee SBC-codes overbleven, een drietal functies bijgeduid. Het loonverlies werd berekend op 31,50%. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 oktober 2010 bij besluit van 16 februari 2011 ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 16 februari 2011 (bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank heeft over de medische grondslag van het bestreden besluit overwogen dat niet uit enig objectief medisch gegeven is gebleken dat het standpunt van het Uwv voor onjuist moest worden gehouden. Anders dan appellante op haar zitting van 6 juli 2011 heeft betoogd, blijkt, aldus de rechtbank, uit de stukken, die tot het nemen van het bestreden besluit beschikbaar waren, niet dat appellante haar maagklachten eerder heeft aangekaart.

5.1. Appellante heeft in hoger beroep bestreden dat zij de maagklachten niet eerder naar voren heeft gebracht. Zij wees in dit verband op de hoorzitting van 22 december 2010 en een daarbij overgelegd verslag van een endoscopie van 22 september 2010 waarin na onderzoek werd geconcludeerd tot een refluxoesofagitis graad A. Appellante heeft voorts gewezen op de klachten in verband met fibromyalgie en de migraineaanvallen die zij meerdere malen per week heeft. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante de in de rubriek Procesverloop vermelde medische stukken overgelegd.

5.2. De bezwaarverzekeringsarts Versteeg heeft in een rapport van 13 september 2011 in reactie op het hoger beroep erkend dat bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek op 21 januari 2011 niet de diagnose refluxoesofagitis heeft gesteld maar dat in de FML wel beperkingen voor tillen en dragen zijn gesteld die in lijn liggen met deze diagnose.

6.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat er, gelet op het verhandelde ter zitting, in hoger beroep alleen bezwaren tegen de geduide functies zijn die verband houden met het standpunt van appellante over de juistheid van de FML. De Raad zal, evenals de rechtbank naar aanleiding van het beroep kennelijk heeft gedaan, zich beperken tot dit punt van geschil.

6.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien voor een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank. Weliswaar heeft de rechtbank, gelet op het hoger beroep, niet met juistheid overwogen dat de maagklachten niet in de fase tot het nemen van het bestreden besluit zijn vermeld, maar er zijn, gelet op de in 5.2 vermelde reactie van Versteeg en op de door appellante op 8 februari 2013 overgelegde medische stukken, waaronder brieven van de behandelende MDL-artsen van 23 mei 2011, 12 augustus 2011 en 30 november 2011, geen aanknopingspunten om aan te nemen dat in verband met die maagklachten de belastbaarheid van appellante in de FML is overschat. Wat betreft de migraineklachten wijst de Raad erop dat het standpunt van appellante in hoger beroep dat zij meerdere aanvallen per week heeft, wat betreft de datum in geding niet wordt bevestigd door de beschikbare medische gegevens. In een brief van de revalidatiearts van 16 juni 2011 is immers vermeld dat appellante éénmaal per zeven à tien dagen een migraineaanval heeft. Voor zover op grond van de in hoger beroep overgelegde informatie van de neuroloog dr. P. Lanting van 20 februari 2012 en 5 oktober 2012 zou moeten worden aangenomen dat de migraine inmiddels wat betreft de aanvalsfrequentie is toegenomen, betreft dit, gezien de hiervoor vermelde brief van de revalidatiearts niet de datum in geding. De overige op 8 februari 2013 overgelegde informatie uit de behandelende sector betreft deels reeds ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bekende informatie, deels brieven die zien op een datum dan wel tijdvak (ruim) na de datum in geding. Wat dit laatste betreft wijst de Raad er nog op dat deze categorie informatie met name ziet op brieven van de revalidatiearts Van Veen-Snijders van het revalidatiecentrum De Trappenberg over het verloop van de klinische pijnrevalidatiebehandeling van appellante aldaar in de periode van 4 juli 2011 tot 29 augustus 2011. Al met al ziet de Raad geen aanleiding om in verband met het overleggen van deze informatie een nadere reactie aan de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv te vragen of een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2013.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt

QH