Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6361

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
08-04-2013
Zaaknummer
12/2899 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering. De deskundige heeft in de verschillende rapporten op inzichtelijke wijze en naar behoren gemotiveerd hoe hij tot zijn bevindingen en conclusies is gekomen en waarom hij geen aanleiding ziet het standpunt van de behandelaars van appellant te volgen. Het Uwv heeft de belastbaarheid van appellant juist vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2899 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 april 2012, 09/1343 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 5 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.L.J.A. Spiertz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2013. Namens appellant is

mr. Spiertz verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1979 werkzaam als zweminstructeur, voor welke werkzaamheden hij in 1996 is uitgevallen. Per einde wachttijd in 1997 is hij ongeschikt geacht voor zijn eigen werk en voor minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Vervolgens heeft appellant een uitkering op grond van Werkloosheidswet (WW) ontvangen.

1.2. Vanuit een uitkeringssituatie op grond van de WW heeft appellant zich in 1999 opnieuw ziek gemeld met psychische en cognitieve klachten. Met ingang van 24 augustus 2000 heeft hij een WAO-uitkering ontvangen, eerst berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en na een herbeoordeling met ingang van 21 april 2002 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.1. Bij besluit van 12 september 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant in het kader van een herbeoordeling met ingang van 13 augustus 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

2.2. Naar aanleiding van het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 19 februari 2009 overwogen dat de door de verzekeringsarts aangenomen beperking in arbeidsduur niet volgt uit - dan wel geen onderbouwing vindt in - verschijnselen passend bij ziekte of gebrek. Evenmin is vanuit preventief oogpunt of uit oogpunt van beschikbaarheid dan wel op energetische gronden reden om een beperking in arbeidsduur aan te nemen. Het bezwaar vormt daarom aanleiding tot herziening van de medische grondslag waarop het in 1.2 vermelde besluit is gebaseerd. De eerder aangenomen beperking in arbeidsduur wordt niet geïndiceerd geacht. De overige omschreven beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren komen naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts in ruime mate tegemoet aan de door appellant ervaren belemmeringen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens geconstateerd dat de urenbeperking niet terecht is geweest maar dat hiermee in bezwaar niets wordt gedaan en ziet verder geen aanleiding om anders te concluderen dan de primaire arbeidsdeskundige, zodat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de praktische verdiencapaciteit als hulpbadmeester voor gemiddeld 20 uur per week ongewijzigd bleef.

2.3. In lijn met de uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek in de bezwaarprocedure heeft het Uwv bij besluit van 11 maart 2009 (bestreden besluit) het besluit van 12 september 2008 heroverwogen en de medische grondslag herzien. Het Uwv heeft echter de belastbaarheid van appellant, zoals die eerder was vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 28 mei 2008, gehandhaafd omdat hij niet ten nadele van appellant mag terugkomen van het besluit van 12 september 2008. Appellant is vervolgens onveranderd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, hiermee de bevindingen van de door haar benoemde deskundige neuroloog dr. P.L.I. Dellemijn (deskundige) volgend, en heeft hiertoe, voor zover in hoger beroep nog van belang, als volgt overwogen.

3.1. De deskundige komt in zijn rapport van 29 december 2010 tot de conclusie dat bij appellant per datum in geding een lichte beperking van de cognitieve functies ten aanzien van het korte termijngeheugen en aandachtsconcentratie aanwezig kan zijn geweest. Deze beperking wordt voldoende ondersteund door oude herseninfarcten op de MRI-scan van

30 juli 2010. De aanbevelingen van behandelaar prof. dr. M. Maes, psychiater, dat appellant volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd, wordt niet onderbouwd door andere gegevens dan hetero-anamnestische gegevens van de gezinsleden van appellant. Deze gegevens worden bij neurologisch onderzoek echter zeer ten dele geobjectiveerd. De door Maes gestelde beperkingen zijn niet objectief medisch vast te stellen en daarom niet algemeen aanvaard volgens actueel internationaal medisch wetenschappelijk inzicht en geen rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte en gebreken. De mogelijke beperkingen ten aanzien van chloordampen komen niet voort uit een toxische encefalopathie, maar uit een mogelijke prikkeling leidend tot neuspoliepen. De deskundige kan zich vinden in de beperkingen die zijn vastgesteld door de bezwaarverzekeringsarts, maar acht deze beperkingen wat (te) fors. Hij ziet geen aanleiding om een urenbeperking aan te nemen.

3.2. Naar aanleiding van de reactie van appellant, dat hij zich niet kan vinden in de inhoud van het rapport en dat hij ongelukkig is met de manier waarop hij door de deskundige is bejegend, heeft de rechtbank gewezen op de brief van de deskundige van 2 april 2011, waarin hij opmerkt dat het onderzoek in goede harmonie is verlopen en dat hij geen aanleiding ziet om zijn conclusies te herzien.

3.3. In een aanvullende rapportage van 29 oktober 2011 heeft de deskundige gereageerd op door appellant ingebrachte informatie van neuroloog I. Raets en de reacties hierop van de bezwaarverzekeringsarts. Ten aanzien van de informatie van Raets stelt de deskundige vast dat de diagnose frontotemporale dementie niet wordt gesteld. Verder concludeert hij ten aanzien van het neuropsychologisch onderzoek dat de resultaten tegen de diagnose frontotemporale dementie pleiten en dat de gevonden subtiele afwijkingen kunnen passen bij de oude herseninfarcten in de occipitale cortex.

3.4. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de deskundige in de verschillende rapporten op inzichtelijke wijze en naar behoren heeft gemotiveerd hoe hij tot zijn bevindingen en conclusies is gekomen en waarom hij geen aanleiding ziet het standpunt van de behandelaars van appellant, in het bijzonder van Raets, te volgen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan van het uitgangspunt, dat de rechtbank het oordeel van de onafhankelijke door haar ingeschakelde deskundige dient te volgen, zou moeten worden afgeweken. De rechtbank komt tot de conclusie dat het Uwv de belastbaarheid van appellant per 13 augustus 2008 juist heeft vastgesteld.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn gronden in beroep grotendeels herhaald. Hij is kort gezegd van mening dat hij lijdt aan een progressieve ziekte, dat hij gezien zijn klachten niet meer in staat is om arbeid te verrichten en maakt daarom aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 80 tot 100%.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Het hoger beroep is beperkt tot de medische grondslag van het bestreden besluit.

5.2. De rechtbank heeft terecht geen aanknopingspunten gezien om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak die tot dit oordeel hebben geleid, zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.4 van deze uitspraak van de Raad, maakt deze overwegingen tot de zijne en voegt hieraan nog het volgende toe.

5.3. De vraag of appellant tijdens het onderzoek door de deskundige onheus is bejegend, hetgeen de deskundige in zijn schrijven van 2 april 2011 heeft betwist, kan in het midden blijven. Appellant heeft immers op geen enkele wijze onderbouwd waarom vanwege deze gestelde bejegening geen waarde kan worden gehecht aan de uitkomsten van het onderzoek van de deskundige. De enkele omstandigheid dat appellant het niet eens is met deze uitkomst, is hiertoe onvoldoende.

5.4. Ook in hoger beroep heeft appellant nagelaten de door hem gestelde klachten nader te onderbouwen met medisch objectiveerbare gegevens over zijn situatie op de datum in geding. Tegen de achtergrond van de uitkomsten van het onderzoek van de deskundige lag het op de weg van appellant om nadere medische verklaringen in het geding te brengen van bijvoorbeeld psychiater Maes en/of neuroloog Raets. Dit geldt temeer omdat Maes niet heeft gereageerd op een vraagstelling van de deskundige. Dit heeft appellant evenwel nagelaten. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd verklaard dat hij hen niet heeft kunnen bereiken.

5.5. Eerst ter zitting heeft de gemachtigde van appellant gewezen op daags voor de zitting aan de Raad toegezonden wetenschappelijke publicaties, onder meer uit 2003, die volgens hem zouden handelen over mogelijke schade aan de hersenen door blootstelling aan chloordampen. De Raad acht het in strijd met een goede procesorde om in een zo laat stadium van de procedure dergelijke, reeds lang voorhanden zijnde, informatie in het geding te brengen. Voor dit oordeel is mede redengevend dat deze informatie al bij de deskundige had kunnen worden ingebracht, voor zover deze informatie niet al bij hem bekend was en is meegewogen in het onderzoek, en bovendien in het geheel niet nader is toegelicht waarom deze informatie relevant is voor de concrete situatie van appellant ten tijde in geding. De Raad laat deze stukken dan ook verder buiten beschouwing. Aan een oordeel over het verzoek van appellant om op grond van deze informatie een nader onderzoek te gelasten, komt de Raad daarom niet toe.

6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) G.J. van Gendt

KR