Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6244

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
11/7521 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kan een advocaat in loondienst van een moederbedrijf worden aangemerkt als een derde in de zin artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Uit het oogpunt van rechtseenheid ziet de Raad thans aanleiding de benadering van de Hoge Raad te volgen. De Raad tekent daarbij aan dat hij als gangbare betekenis van het begrip 'derde' ziet een (rechts)persoon buiten de direct bij de zaak betrokken partijen.

Uitgaande van de thans ook door de Raad gevolgde benadering moet (een advocaat in loondienst van) het moederbedrijf ten opzichte van betrokkene worden aangemerkt als derde in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het moederbedrijf] met betrokkene moet worden vereenzelvigd is niet gebleken. Het enkele feit dat moedermaatschappij en enig aandeelhouder van betrokkene is, is daartoe niet voldoende. Anders dan door appellant ter zitting bepleit, acht de Raad het gegeven dat tussen het moederbedrijf en betrokkene geen sprake is van betaling maar van doorbelasting niet relevant.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/968
RSV 2013/200
ABkort 2013/150
USZ 2013/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7521 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 november 2011, 10/4019 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [vestigingsplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak 3 april 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs. Namens betrokkene is verschenen mr. E.D. Breugelmans-Tanis, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 10 juni 2010 heeft appellant een werkneemster van betrokkene per

27 februari 2010 geen uitkering ingevolgde de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van

1 september 2010 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van

10 juni 2010 ongegrond verklaard.

1.2. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 september 2010.

1.3. Op 14 april 2011 heeft appellant een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar alsnog gegrond is verklaard en is bepaald dat de werkneemster van betrokkene per 27 februari 2010 recht heeft op een ZW-uitkering.

1.4. Betrokkene heeft naar aanleiding van het nieuwe besluit het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht appellant onder toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.748,-. De rechtbank heeft daarbij de door mr. Breugelmans-Tanis verleende rechtsbijstand aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Mr. Breugelmans-Tanis is een advocaat in loondienst van [naam moederbedrijf] ([naam moederbedrijf]), moederbedrijf en enig aandeelhoudster van betrokkene. De rechtbank heeft in haar uitspraak verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 8 november 2002, LJN AF0078, over de overeenkomstige bepaling uit het Besluit proceskosten fiscale procedures.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij door de rechtbank ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten. In zijn visie is geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand in de zin van voornoemde bepaling, nu [naam moederbedrijf] tot dezelfde groep behoort als betrokkene, respectievelijk met betrokkene vereenzelvigd kan worden. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt verwezen naar de toelichting bij het Besluit en rechtspraak van de Raad en van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

3.2. Betrokkene heeft te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met de aangevallen uitspraak. Zij heeft in haar verweerschrift een nadere toelichting gegeven op de werkwijze van [naam moederbedrijf]. De advocaten en medewerkers van de afdeling juridische zaken van [naam moederbedrijf], onder wie mr. Breugelmans-Tanis, werken op basis van een uurtarief, dat wordt doorbelast aan de dochter-B.V. waarvoor de rechtsbijstand wordt verleend. De dochter-B.V. betaalt dus per gewerkt uur. De afdeling juridische zaken verleent rechtsbijstand aan ongeveer 70 verschillende B.V.’s die onder de holding vallen. Binnen de holding geldt geen verplichting om rechtsbijstand te laten verlenen door [naam moederbedrijf]. De B.V.’s zijn gerechtigd andere rechtsbijstandverleners in te schakelen en doen dit ook regelmatig. Feitelijk bestaat volgens betrokkene geen verschil tussen het verlenen van rechtsbijstand door een advocaat die in dienst is bij [naam moederbedrijf] en een andere advocaat. Appellant heeft deze gegevens omtrent de werkwijze van [naam moederbedrijf] niet weersproken.

4. 1. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Partijen verschillen uitsluitend van mening over het antwoord op de vraag of (een advocaat in loondienst van) [naam moederbedrijf] kan worden aangemerkt als een derde in de zin van voornoemde bepaling van het Besluit.

4.2. De Hoge Raad heeft in het door de rechtbank genoemde arrest geoordeeld dat er geen reden is om aan het begrip 'derde' in artikel 1, letter a, van het Besluit proceskosten fiscale procedures een andere betekenis te geven dan de gangbare. De in de toelichting bij het Besluit te lezen opvatting dat de 'interne juridische dienst van een ... tot dezelfde groep behorend bedrijf' niet kan worden aangemerkt als een derde in evenvermelde zin, kan daar - nog daargelaten wat aldaar met 'dezelfde groep' is bedoeld - naar het oordeel van de Hoge Raad niet aan afdoen, nu die opvatting niet tot uitdrukking is gebracht in de tekst van het Besluit. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe nopen om voor de toepassing van de evenvermelde bepaling een procederend lichaam en een ander lichaam dat rechtsbijstand verleent, met elkaar te vereenzelvigen.

4.3. Uit het oogpunt van rechtseenheid ziet de Raad thans aanleiding de benadering van de Hoge Raad te volgen. De Raad tekent daarbij aan dat hij als gangbare betekenis van het begrip 'derde' ziet een (rechts)persoon buiten de direct bij de zaak betrokken partijen.

4.4. Uitgaande van de thans ook door de Raad gevolgde benadering moet (een advocaat in loondienst van) [naam moederbedrijf] ten opzichte van betrokkene worden aangemerkt als derde in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan [naam moederbedrijf] met betrokkene moet worden vereenzelvigd is niet gebleken. Het enkele feit dat [naam moederbedrijf] moedermaatschappij en enig aandeelhouder van betrokkene is, is daartoe niet voldoende. Anders dan door appellant ter zitting bepleit, acht de Raad het gegeven dat tussen [naam moederbedrijf] en betrokkene geen sprake is van betaling maar van doorbelasting niet relevant.

5. Hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 944,- (1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) wegens verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak;

-veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 944,-;

-bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 454,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

CVG