Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
05-04-2013
Zaaknummer
11/2789 AW + 11/2790 AW + 11/2791 AW + 11/2792 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit. Gebrek rechtsmiddelverwijzing. (Geen) verschoonbaarheid termijnoverschrijding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2013-04-04
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2013-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/969
TAR 2013/135

Uitspraak

11/2789 AW, 11/2790 AW, 11/2791 AW, 11/2792 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 maart 2011, 09/390, 10/2258, 10/3647, 10/4325 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het College van bestuur van de Universiteit Utrecht (college)

Datum uitspraak: 4 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.C. Verheyden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verheyden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.J. van de Pas, mr. P. Vlugter en prof. dr. C.J. Erkelens.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1987 in dienst van de Universiteit Utrecht, waar hij laatstelijk werkzaam was in de functie van universitair hoofddocent bij het onderzoeksprogramma Surfaces, Interfaces en Devices (SID), onderdeel van het departement Natuur- en Sterrenkunde van de faculteit Bètawetenschappen.

1.2. Op 18 december 2007 heeft het college het reorganisatieplan departement Natuur- en Sterrenkunde vastgesteld. Dit plan voorziet er onder meer in dat het onderzoeksprogramma SID wordt beëindigd.

1.3. Bij besluit van 8 juli 2008 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 december 2008 (bestreden besluit I), heeft het college de functie van appellant per 1 juli 2008 opgeheven.

1.4. Appellant heeft vervolgens gesolliciteerd naar de functie van hoogleraar Nanofotonica. Bij besluit van 3 februari 2009 (besluit 2) heeft het college appellant afgewezen voor deze functie.

1.5. Bij brief van 14 april 2009 heeft appellant gesolliciteerd naar de functie van universitair hoofd docent Biofysica. Bij besluit van 8 maart 2010 (besluit 3) heeft het college appellant afgewezen voor deze functie.

1.6. Bij brief van 10 november 2009 heeft appellant gesolliciteerd naar de functie van universitair docent Natuurkunde (practicum natuurkunde). Bij besluit van 8 maart 2010 (besluit 4) heeft het college appellant afgewezen voor deze functie.

1.7. Bij brief van 11 december 2009 heeft appellant gesolliciteerd naar de functie van Tenure Track Assistant / Associate Professor of Physics of Devices. Bij besluit van 9 maart 2010 (besluit 5) heeft het college appellant afgewezen voor deze functie.

1.8. Bij besluit van 21 september 2010 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard. De bezwaren tegen de besluiten 3, 4 en 5 zijn bij het bestreden besluit II ongegrond verklaard. Verder is in het bestreden besluit II de volgende passage opgenomen:

“Daarnaast is de bewuste vacature (naar de Raad begrijpt: die voor de functie van hoogleraar Nanofotonica) ingetrokken. Als gevolg van bezuinigingen bij het departement is een vacaturestop ingesteld met als gevolg dat deze vacature niet wordt ingevuld.”

1.9. Bij besluit van 10 november 2010 (bestreden besluit III), voor zover hier van belang, heeft het college het tegen deze mededeling gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.10. Nadat de Toetsingscommissie als bedoeld in artikel 9.15 van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU) op 18 december 2009 had geoordeeld dat (inmiddels) in voldoende mate herplaatsingsinspanningen hadden plaatsgevonden, heeft het college appellant bij besluit van 15 februari 2010 (besluit 6) met ingang van 20 mei 2010 ontslag verleend op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de CAO NU. Bij besluit op bezwaar van 23 juni 2010 (bestreden besluit IV) is het ontslag gehandhaafd, zij het dat de ontslagdatum nader is bepaald op 1 juli 2010.

2. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak de beroepen tegen de bestreden besluiten I tot en met IV ongegrond verklaard. Wat betreft het bestreden besluit I heeft de rechtbank geoordeeld dat de opheffing van de functie van appellant op voldoende gronden berustte. Wat betreft het bestreden besluit II heeft de rechtbank eerst geoordeeld dat het bezwaar tegen besluit 2 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Dit bezwaar is ver buiten de bezwaartermijn ingediend, terwijl appellant niets heeft aangevoerd dat kan dienen als verontschuldiging voor de termijnoverschrijding. Ten aanzien van de bij het bestreden besluit II gehandhaafde besluiten 3, 4 en 5 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt om welke redenen appellant niet geschikt wordt geacht om de betreffende functies te vervullen. Wat betreft het bestreden besluit III heeft de rechtbank geoordeeld dat het bezwaar tegen de onder 1.8 weergegeven mededeling terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat deze mededeling niet op rechtsgevolg is gericht en geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Evenmin was er sprake van een aan een besluit gelijk te stellen handeling als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb. Wat betreft het bestreden besluit IV heeft de rechtbank geoordeeld dat het college in voldoende mate heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting om appellant te herplaatsen. Nu deze inspanningen er niet toe hebben geleid dat appellant in passende werkzaamheden is herplaatst, mocht het college tot ontslag overgaan.

3.1. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank op de hierna te bespreken gronden bestreden.

3.2. Het college heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

opheffing functie (bestreden besluit I)

4.1. De opheffing van de functie van appellant vloeit voort uit het reorganisatiebesluit. Niet gebleken is van gebreken in de totstandkoming van of de inhoud van het reorganisatiebesluit, op grond waarvan het college dit besluit niet aan het besluit van 8 juli 2008 ten grondslag had mogen leggen. Daarbij is in aanmerking genomen dat aan het college een ruime vrijheid toekomt bij het bepalen van de inrichting van zijn organisatie en dat, anders dan appellant betoogt, voldoende duidelijk is dat de door het college gemaakte keuzes op zakelijke en objectieve gronden berusten. De kanttekeningen die appellant heeft geplaatst bij de door het college mede aangevoerde financiële noodzaak voor de reorganisatie zijn door het college gemotiveerd weersproken en doen aan het oordeel van de Raad niet af.

4.2. Uitgaande van het reorganisatiebesluit en de opheffing van het onderzoeksprogramma SID waaraan appellant verbonden was, moet worden geconstateerd dat de functie van appellant is komen te vervallen, nu zijn onderzoeksgebied is komen te vervallen. Appellant maakte geen deel uit van het onderdeel van SID dat zich bezig hield met de ontwikkeling van halfgeleiders ten behoeve van zonnecellen, welk onderdeel het college wenste te handhaven en wenste in te bedden in het nieuwe onderzoeksprogramma Nanofotonica. Appellant heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat het samenstel van zijn werkzaamheden na 1 juli 2008 feitelijk en in dezelfde omvang door hemzelf of door anderen is voortgezet. De conclusie is dat het samenstel van werkzaamheden dat aan appellant was opgedragen met het verdwijnen van het onderzoeksprogramma SID is komen te vervallen.

4.3. Wat betreft de overige, in hoofdzaak formele, gronden die appellant in hoger beroep wederom tegen de gang van zaken bij het opheffingsbesluit naar voren heeft gebracht, waaronder zijn stelling dat hij in strijd met artikel 2.2 van het Uitvoeringsplan Reorganisatie Departement Natuur- en Sterrenkunde eerst op 8 juli 2008 op de hoogte is gesteld van de opheffing van zijn functie, wordt het oordeel dat de rechtbank hierover heeft gegeven onderschreven, evenals de overwegingen die de rechtbank tot haar oordeel hebben gebracht.

4.4. Gelet op het vorenstaande kan het opheffingsbesluit de terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan. Het hoger beroep slaagt in zoverre dus niet.

afwijzing sollicitaties (bestreden besluit II)

Hoogleraar Nanofotonica

5.1. Bij het bestreden besluit II heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard, primair op de grond dat besluit 2 niet is gericht op enig rechtsgevolg en dus geen appellabel besluit is, subsidiair - voor zover daarvan wel sprake is - op de grond dat bij het maken van bezwaar tegen besluit 2 de daarvoor geldende termijn (ver) is overschreden, terwijl die overschrijding niet verschoonbaar is.

5.2.1. Besluit 2 behelst onmiskenbaar het als definitief bedoelde besluit tot afwijzing van appellants sollicitatie naar de functie van hoogleraar Nanofotonica. Daarmee is sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Weliswaar vermeldt dit besluit niet dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt, maar naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 28 april 2011, LJN BQ3472) tast het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing het besluitkarakter niet aan.

5.2.2. Dat er aan dat besluit (mogelijk) een gebrek kleeft in die zin dat appellant betwijfelt of het besluit daadwerkelijk bevoegd door of namens het college is genomen, betekent naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 28 februari 2013, LJN BZ2676) evenmin het besluit geen rechtsgevolg zou kunnen hebben. De gesignaleerde tekortkoming kan juist in het bezwaarschrift aan de orde worden gesteld.

5.3.1. Niet in geschil is dat het tegen besluit 2 gerichte bezwaarschrift van appellant van 26 mei 2010 niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van die termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

5.3.2. Een gebrek in de rechtsmiddelverwijzing bij een besluit leidt, zoals onder meer is neergelegd in de uitspraak van Raad van 23 juni 2011, LJN BR0151, in beginsel tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, indien de belanghebbende daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan een gevolg is. De termijnoverschrijding zal in het algemeen niet verschoonbaar zijn in gevallen waarin redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken. Van bekendheid met de termijn kan verder worden uitgegaan indien de belanghebbende al voor afloop van de termijn werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener, aangezien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze over de vereiste kennis beschikt en ook diens kennis in dit verband aan de belanghebbende kan worden toegerekend.

5.3.3. Mr. Verheyden heeft op 14 april 2010 inleidend bezwaar gemaakt tegen de besluiten 3, 4 en 5. In het daarop volgende aanvullend bezwaarschrift van 26 mei 2010 heeft mr. Verheyden te kennen gegeven tevens bezwaar te maken tegen besluit 2. Hij heeft daarbij opgemerkt te beseffen dat dit bezwaar buiten de bezwaartermijn is ingediend. Volgens Verheyden is echter sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat besluit 2 ten onrechte geen rechtsmiddelverwijzing bevat en appellant niet wist dat besluit 2 een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit was en hij hierop eerst is gewezen door mr. Verheyden.

5.3.4. Appellant werd in elk geval op en na 14 april 2010 bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener, mr. Verheyden. Uit het bezwaarschrift van 14 april 2010 blijkt zonneklaar dat mr. Verheyden op dat moment bekend was met de afwijzing van appellants sollicitatie naar de functie van hoogleraar Nanofotonica. Vanaf dat moment kon er redelijkerwijs dan ook geen misverstand (meer) over bestaan dat het college over de afwijzing van deze sollicitatie een besluit had genomen. Appellant wist bovendien uit andere besluiten van het college ten aanzien van zijn sollicitaties - de besluiten 3, 4 en 5 - dat hij tegen een besluit als het onderhavige bezwaar kon maken. Niettemin heeft mr. Verheyden nog zes weken gewacht met het indienen van een bezwaarschrift door eerst op 26 mei 2010 bezwaar te maken tegen besluit 2. Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Bij het bestreden besluit II is het bezwaar tegen besluit 2 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Universitair docent Biofysica, universitair docent Natuurkunde en Tenure Track Assistant / Associate Professor of Physics of Devices

6.1.1. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (CRvB 7 juli 2011, LJN BR1576 en CRvB

19 januari 2012, LJN BV2323) is de beslissing van het bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure het resultaat van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen. Daarbij heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend. Zij is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. De rechtbank is dan ook uitgegaan van de juiste toetsingsmaatstaf door te onderzoeken of het college in redelijkheid tot afwijzing van appellants sollicitaties heeft kunnen komen.

6.1.2. Anders dan appellant veronderstelt, kan deze zaak niet op één lijn worden gesteld met de zaak die ten grondslag heeft gelegen aan de uitspraak van de Raad van 24 mei 2006, LJN AX8152. Het college heeft er met juistheid op gewezen dat in die uitspraak de toepassing van de artikelen 96, eerste lid, en 49g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) ter toetsing voorlag, terwijl op appellant niet het ARAR van toepassing is, maar de CAO NU, die geen vergelijkbare bepalingen kent. Genoemde uitspraak leidt reeds hierom niet tot een ander oordeel over de hier aan te leggen toetsingsmaatstaf.

6.1.3. Ook anderszins bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank, door te toetsen aan het criterium van geschiktheid, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De beoordeling van de passendheid van een functie omvat, anders dan appellant veronderstelt, (mede) het geven van een oordeel over de geschiktheid van een betrokkene voor de betreffende functie. Uit artikel 2.1.a van het ter uitwerking van Hoofdstuk 9 van de CAO NU vastgestelde Sociaal Beleidskader bij Reorganisaties (SBK) volgt ook dat bij de beoordeling van de passendheid van een functie mede acht wordt geslagen op de capaciteiten en ervaring van een betrokkene. Dat appellant op grond van artikel 9.13 van de CAO NU voorrang heeft bij de vervulling van een interne vacature laat onverlet dat moet zijn voldaan aan de eisen van geschiktheid. De rechtbank heeft dus terecht in het voetspoor van het college de geschiktheid van appellant voor de door hem geambieerde functies in beschouwing genomen.

6.2. Niet kan worden gezegd dat de afwijzingen van appellants sollicitaties niet kunnen worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De Raad kan zich geheel verenigen met de overwegingen die de rechtbank hieraan heeft gewijd en verwijst daarnaar.

7. Gelet op het vorenstaande houdt het bestreden besluit II in rechte stand. Het hoger beroep slaagt ook in zoverre niet.

Intrekking vacature hoogleraar Nanofotonica (bestreden besluit III)

8.1. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de onder 1.8 weergegeven, louter informatieve, mededeling dat de vacature voor de functie van hoogleraar Nanofotonica is ingetrokken niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb dan wel als een voor beroep vatbare andere handeling als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb. Het tegen deze mededeling gemaakte bezwaar is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

8.2. Dit betekent dat bestreden besluit III in rechte kan standhouden. Het hoger beroep slaagt ook in zoverre niet.

Het ontslag (besluit 3)

9.1. Het college heeft dit besluit gegrond op artikel 8.4, eerste lid, van de CAO NU, welk voorschrift inhoudt dat de werkgever, tenzij er sprake is van een opzegverbod als genoemd in artikel 8:7, het dienstverband kan beëindigen, uitsluitend indien sprake is van een redelijke grond. Deze grond is hier gelegen in de opheffing van de functie van appellant. Een andere, specifiek daarop betrekking hebbende, bepaling bevat de CAO NU niet.

9.2. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat er door het college onvoldoende herplaatsingsinspanningen zijn verricht. Met de rechtbank wordt onderkend dat het college in procedureel opzicht steken heeft laten vallen, maar ook moet worden geconstateerd dat het college appellant heeft aangemeld bij het bureau BV Topselect teneinde hem te begeleiden naar ander werk. Verder heeft het college appellant onder meer trainingen in gespreks- en onderhandelingstechnieken alsmede een outplacementtraject aangeboden en heeft het appellant ook gewezen op de hiervoor besproken functies van universitair hoofd docent Biofysica, universitair docent Natuurkunde en Tenure Track Assistant / Associate Professor of Physics of Devices. Door appellant zijn voorts geen concrete functies genoemd, waarvoor hij in aanmerking zou hebben kunnen komen, maar waarop het college hem ten onrechte niet heeft gewezen.

9.3. Uit het vorenstaande volgt dat het college zich in voldoende mate heeft ingespannen om appellant te herplaatsen en dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot gebruikmaking van zijn ontslagbevoegdheid op de gebezigde grond. Dat aan het ontslag andere, aan appellants gestelde optreden als klokkenluider toe te schrijven motieven ten grondslag lagen is niet gebleken. Het gesuggereerde verband tussen deze klacht en de nasleep daarvan en het thans verleende ontslag blijkt op geen enkele manier uit de stukken.

9.4. Ook dit onderdeel van het hoger beroep treft dus geen doel.

Slotoverwegingen

10. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en T. van Peijpe, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2013.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) S.K. Dekker