Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
11/5104 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie uit de behandelend sector heeft op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden en daarvan is gemotiveerd en op inzichtelijke wijze gerapporteerd. Geen sprake van een invaliderende hernia of van artrose. Beperkingen zijn niet onderschat. Voldoende inzichtelijk en toetsbaar onderbouwd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt kunnen worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5104 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van

14 juli 2011, 11/180 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 3 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.J.W.C. Lipman, werkzaam bij

DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lipman. Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 1996 met rugklachten uitgevallen voor zijn werk als productiemedewerker voor 38 uur per week. In verband hiermee ontvangt hij met ingang van 15 januari 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk per 21 juni 2005 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Op 22 april 2010 heeft appellant melding gemaakt van een verslechterde gezondheid per 19 april 2010. Op dat moment was appellant in WSW-verband werkzaam voor 18 uur per week. Dit dienstverband is beëindigd per 1 september 2010.

1.2. Appellant is na zijn ziekmelding per 19 april 2010 wegens toegenomen klachten op 10 juni 2010 onderzocht door verzekeringsarts J.H.B.M. van Hoeij, die mede naar aanleiding van verkregen informatie van neuroloog E.Th.L. van Munster, een rapportage heeft opgesteld en daarbij de beperkingen van appellant heeft geactualiseerd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft arbeidsdeskundige Y. Rietmeijer een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellant en waarmee het verlies aan verdiencapaciteit is berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 12 juli 2010 aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 13 september 2010 naar die klasse wordt herzien.

1.3. Bij besluit van 8 december 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 juli 2010, onder verwijzing naar rapportages van bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon van 30 november 2010 en van bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters van 6 december 2010, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft de door de verzekeringsartsen en bezwaarverzekeringsarts verrichte onderzoeken voldoende zorgvuldig geacht en ook overigens geen reden gezien te twijfelen aan de op 10 juni 2010 vastgestelde FML. Het bestreden besluit berust dan ook op een voldoende medische grondslag. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. In de notities functiebelasting van 24 juni 2010 heeft de arbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd waarom de geduide functies, ondanks de zogenaamde signaleringen, toch door appellant kunnen worden verricht. Het Uwv heeft de WAO-uitkering van appellant dan ook terecht en op goede gronden per 13 september 2010 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er bij de vaststelling van de FML in onvoldoende mate rekening is gehouden met de bij hem bestaande klachten, waaronder met name de hernia. Er zouden zwaardere beperkingen dienen te worden opgenomen, mede omdat de praktijk heeft uitgewezen dat hij in zijn WSW-dienstverband niet een volledige dag werkzaamheden kan verrichten. Aangevoerd wordt tevens dat hij niet in staat is om 1200 keer per uur 70 centimeter te reiken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De door appellant in hoger beroep aangevoerde medische gronden vormen een herhaling van de gronden die hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het ter zake gegeven oordeel door de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie uit de behandelend sector op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat daarvan gemotiveerd en op inzichtelijke wijze is gerapporteerd. Uit de verkregen medische informatie van de neuroloog Van Munster blijkt bij aanvullend onderzoek dat op de MRI-CWK geen duidelijke afwijkingen zijn vastgesteld. Er is geen sprake van een invaliderende hernia zoals appellant stelt en er is geen sprake van artrose. Nu er objectief geen verslechtering werd geconstateerd in de medische situatie zijn er volgens de bezwaarverzekeringsarts geen (medische) redenen om de geclaimde verdergaande beperkingen op te nemen in de FML. Gelet op de medische feiten, het dagverhaal en met inachtneming van de in de FML opgenomen beperkingen heeft de bezwaarverzekeringsarts met inachtneming van de criteria in de “Standaard verminderde arbeidsduur” eveneens gemotiveerd aangegeven dat er onvoldoende zware argumenten zijn om een urenbeperking aan te nemen.

4.2. Het in hoger beroep door appellant ingenomen standpunt dat hij niet in staat is om 1200 keer per uur 70 centimeter te reiken is niet nader onderbouwd en daarvoor kan geen steun worden gevonden in de voorhanden medische gegevens. Met betrekking tot de door appellant overgelegde informatie van neuroloog Van Munster kan worden vastgesteld dat de brieven van 6 april 2010 en 10 september 2010 zich reeds onder de gedingstukken bevonden en door de bezwaarverzekeringsarts bij zijn herbeoordeling zijn meegewogen. De brief van 7 juli 2011 is van ver na de datum in geding en laat zien dat appellant op 23 juni 2011 nogmaals neurologisch is onderzocht, waarbij geen nieuwe bevindingen zijn vastgesteld.

De Raad ziet, gelet op de beschikbare medische informatie, dan ook geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat de beperkingen van appellant op de datum in geding zijn onderschat. Mitsdien is het Uwv terecht uitgegaan van de beperkingen en de belastbaarheid van appellant, zoals neergelegd in de geactualiseerde FML van 10 juni 2010.

4.3. Ten aanzien van de arbeidskundige kant overweegt de Raad dat aan de schatting de functies montagemedewerker (sbc-code 267050), perronmedewerker (sbc-code 111220) en parkeerwachter (sbc-code 342022) ten grondslag zijn gelegd. De Raad is van oordeel dat met de toelichtingen van bezwaararbeidsdeskundige Peters in zijn rapportage van

6 december 2010 voldoende inzichtelijk en toetsbaar is onderbouwd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt kunnen worden geacht. Op basis van de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 13 september 2010 terecht vastgesteld naar de klasse van 15 tot 25%.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, komt de Raad dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade bestaat geen aanleiding. Dat verzoek zal worden afgewezen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en C.C.W. Lange en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D.E.P.M. Bary

QH