Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6163

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
11/5089 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging uitkering ingevolge de Ziektewet. Betrokkene wordt weer geschikt geacht “zijn arbeid ” zijn laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid te vervullen. Juistheid vastgestelde maatstaf. Het medische onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en bovendien inzichtelijk gemotiveerd. Geen reden om af te wijken van de conclusie van de primaire verzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5089 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

20 juli 2011, 11/3469 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 3 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.G.C. van Ingen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 februari 2013. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als heftruckchauffeur. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft hij zich op 31 december 2010 ziek gemeld vanwege onder andere rugklachten, klachten van de linkervoet, rechterhand, rechterknie en rechterenkel, maag- en buikklachten alsmede vermoeidheidsklachten. Appellant heeft op 3 februari 2011 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Op grond van haar bevindingen is deze arts tot de conclusie gekomen dat de klachten van appellant geen beperkingen geven, dan wel dat deze beperkingen niet dermate ernstig zijn dat appellant zijn werkzaamheden van heftruckchauffeur niet zou kunnen verrichten. Bij besluit van

3 februari 2011 is de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) per die datum beëindigd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 2 maart 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van

3 februari 2011 ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 2 maart 2011 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Inzake de maatstaf arbeid was de rechtbank van oordeel dat het Uwv daarvoor terecht de functie van heftruckchauffeur heeft aangemerkt. Volgens de rechtbank blijkt uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 2 maart 2011 overigens dat de eerdere werkzaamheden van appellant als magazijnmedewerker ook bij de beoordeling zijn betrokken. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de volledigheid en zorgvuldigheid van het verrichte medische onderzoek en aan de juistheid van de conclusie van het Uwv, temeer nu appellant zijn standpunt, dat hij verdergaand is beperkt dan door de verzekeringsartsen is aangenomen, niet met medische informatie heeft onderbouwd.

3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de uitspraak betwist. Hij heeft zijn standpunt herhaald, dat de maatstaf arbeid niet slechts de heftruckchauffeur is, maar ook zijn werkzaamheden als magazijnmedewerker, en dat - samengevat - zijn medische beperkingen zijn onderschat. Appellant blijft er dan ook bij dat hij als gevolg van zijn beperkingen niet in staat is om op en na 3 februari 2011 het werk van heftruckchauffeur en magazijnmedewerker te verrichten en zijn ziekengeld met ingang van die datum ten onrechte is beëindigd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. De rechtbank heeft daarmee met juistheid vastgesteld dat de maatstaf arbeid de functie van heftruckchauffeur is. Niet gebleken is van bijzondere aspecten die daarbij, gelet op artikel 19, vijfde lid, van de ZW buiten beschouwing dienen te blijven.

4.2. Met de rechtbank wordt vervolgens geoordeeld dat het medische onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en bovendien inzichtelijk is gemotiveerd. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 2 maart 2011 blijkt dat deze arts appellant heeft gezien op het spreekuur van 1 maart 2011, hij de beschikking had over de dossiergegevens van appellant en hij bij zijn beoordeling informatie van de behandelend sector heeft meegewogen. Ook blijkt uit dat rapport dat aan alle uiteenlopende klachten van appellant voldoende aandacht is gegeven en voldoende is gemotiveerd waarom er geen reden is om af te wijken van de conclusie van de primaire verzekeringsarts. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht ter onderbouwing van zijn standpunt. Tot slot blijkt uit het rapport dat de bezwaarverzekeringsarts zowel de functie van heftruckchauffeur als de functie van magazijnmedewerker heeft beoordeeld. Appellant is daardoor echter niet benadeeld.

4.3. Hetgeen hierboven in 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

QH