Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
12/1339 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet WIA. Juiste medische grondslag. Geen sprake van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de eerder geweigerde uitkering. Aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten wordt niet meer toegekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1339 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2012, 10/23 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Goettsch, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 20 februari 2013. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 30 december 2004 uitgevallen voor zijn werk als klusjesman in de bouw vanwege rugklachten. Op 18 augustus 2006 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit genomen op bezwaar van 10 september 2007 heeft het Uwv zijn primaire besluit gehandhaafd, waarbij aan appellant een WIA-uitkering is geweigerd per 28 december 2006, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder was dan 35%. De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 december 2008 het besluit van 10 september 2007 vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant. Bij besluit van 26 februari 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen de uitspraak van 4 december 2008 hoger beroep ingesteld omdat hij zich niet kon verenigen met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. Bij uitspraak van 26 augustus 2011 (LJN BR6146) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 4 december 2008 bevestigd en het beroep tegen het besluit van 26 februari 2009 ongegrond verklaard. De Raad heeft daarbij de conclusies en bevindingen van de door de Raad als deskundige benoemde neuroloog dr. J.W. Stenvers, als neergelegd in diens rapportage van 8 april 2011, gevolgd. Dr. Stenvers kon zich verenigen met de door de verzekeringsarts in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 1 november 2006 vastgestelde beperkingen.

1.2. Op 19 maart 2009 heeft appellant een aanvraag tot een uitkering ingevolge de Wet WIA per 1 maart 2009 ingediend vanwege een toename van zijn klachten. Appellant acht zich volledig arbeidsongeschikt. Bij besluit van 21 augustus 2009 is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet WIA geweigerd per 1 maart 2009. Bij besluit van 1 december 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 21 augustus 2009, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 24 november 2009 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 30 november 2009, ongegrond verklaard. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat de FML van 1 november 2006 nog actueel was en heeft op 26 november 2009 een nieuwe, gelijkluidende FML opgesteld. Door de bezwaararbeidsdeskundige is in zijn rapportage van 30 november 2009 vastgesteld dat er geen reden is af te wijken van de eerdere conclusie waarbij appellant voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Uit oogpunt van zorgvuldigheid zijn door de bezwaararbeidsdeskundige functies geduid ter ondersteuning van de stelling dat er op de datum in geding geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen (waar appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder):

“2.4. De rechtbank overweegt dat de neuroloog de rapportage van 8 april 2011 heeft opgemaakt op verzoek van de Raad in het kader van de procedure omtrent de WIA-aanvraag van eiser per 28 december 2006. De neuroloog merkt daarbij op dat de situatie per die datum niet anders is dan de situatie op het moment van de rapportage, te weten 8 april 2011. De rechtbank ziet in deze rapportage dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 24 november 2009. De rechtbank overweegt daarbij dat niet een diagnose doorslaggevend is voor de vraag of iemand arbeidsongeschikt is, maar de vastgestelde beperkingen. Ook al zou blijken dat de hernia van eiser al die jaren niet is onderkend, dan nog blijft de vraag welke beperkingen hij van zijn klachten ondervindt. Eiser heeft zijn standpunt dat het feit dat er bij hem inmiddels een hernia is vastgesteld ertoe zou moeten leiden dat er zwaardere beperkingen zouden moeten worden aangenomen, niet onderbouwd met medische informatie. Eiser heeft evenmin medische informatie overgelegd om de overige beroepsgronden te onderbouwen. De rechtbank is ook niet gebleken dat de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 24 november 2009 onzorgvuldig tot stand is gekomen of ondeugdelijk is gemotiveerd.

2.5. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust.”

3. In hoger beroep heeft appellant - samengevat - zijn standpunt herhaald dat hij per datum in geding volledig arbeidsongeschikt was, dat daarom de medische beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt geen stand kan houden en bijgevolg ook niet gezegd kan worden dat de geduide functies passend zijn. Appellant heeft verzocht tot vergoeding van schade.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat het wettelijk kader voor de beoordeling van een aanvraag als hier in geding, is gelegen in artikel 55 van de Wet WIA.

4.2. In artikel 55 van de Wet WIA is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“1. Indien op de dag bedoeld in artikel 54, tweede lid, geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, ontstaat alsnog recht op die uitkering met ingang van de dag dat hij wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt indien hij op de dag hieraan voorafgaand:

(…)

b. minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid; (…)

(…)

3. Het recht op een WGA uitkering kan in de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, (…) niet later ingaan dan vijf jaar na de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid (…).”

4.3. Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellant geen recht op uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen die voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak.

4.4. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust, wordt onderschreven. Door appellant is in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die kan leiden tot een andersluidend oordeel. De verklaring van neuroloog dr. W.M.J. Bosboom met betrekking tot een telefonisch consult op 10 mei 2010 was ook al in beschouwing genomen door dr. Stenvers in zijn rapportage van 8 april 2011. Het bericht van huisarts D.B.J. Bokma van 20 maart 2012 bevat evenmin informatie die al niet reeds eerder bekend was bij de bezwaarverzekeringsarts.

4.5. In zijn rechtspraak met betrekking tot het met artikel 55, eerste lid, van de Wet WIA overeenkomstige artikel 43a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), heeft de Raad geoordeeld dat in de situatie waarin geen sprake is van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de eerder geweigerde uitkering, aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten niet meer wordt toegekomen. Slechts indien zich zulk een toename wel heeft voorgedaan, dient ter beoordeling of, en zo ja in welke omvang, die toename van beperkingen ook leidt tot een toename van arbeidsongeschiktheid, de arbeidskundige component in ogenschouw te worden genomen.

4.6. Er bestaat geen aanleiding om ten aanzien van artikel 55, eerste lid, van de Wet WIA in andere zin te oordelen, waarbij de Raad aantekent dat blijkens de parlementaire geschiedenis van die bepaling de wetgever heeft beoogd de in de WAO neergelegde zogeheten Amberregeling voort te zetten in de Wet WIA. Daarbij neemt de Raad tevens in aanmerking dat de tekst van artikel 55, eerste lid, van de Wet WIA, geen aanknopingspunten biedt om de op dit punt met betrekking tot artikel 43a van de WAO gevormde rechtspraak niet langer van toepassing te achten.

4.7. Gelet op hetgeen in 4.3 en 4.4 is overwogen komt de Raad niet toe aan een beoordeling van de gronden van appellant van arbeidskundige aard. Daarbij overweegt de Raad nog dat, in het licht van zijn oordeel over de aard en strekking van artikel 55, eerste lid, van de Wet WIA, aan de door het Uwv uitgevoerde arbeidskundige beoordeling geen betekenis toekomt bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

4.8. Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade of proceskosten als bedoeld in de artikelen 8:73 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker