Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
12/2310 WIA + 12/2313 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Het oordeel van de rechtbank dat het besluit tot verlening van de loondoorbetalingsverplichting wegens te late WIA-aanvraag een andere wettelijke grondslag heeft dan het loonsanctiebesluit van 26 januari 2011 en dat geen wettelijke regel zich verzet tegen het naast elkaar bestaan van beide besluiten, is in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad (zie LJN BM1194 en BX6447). Het Uwv stelt bij het vaststellen van de verlenging van de periode van loondoorbetaling vanwege de te late indiening van de WIA-aanvraag, op zich niet de plicht van appellante tot doorbetaling van het loon van haar werknemer in civielrechtelijke zin vast, maar slechts het tijdvak verlengt waarin de regels met betrekking tot de loonbetaling tijdens ziekte op grond van artikel 629 van Boek 7 van het BW tussen werkgever en werknemer gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2310 WIA , 12/2313 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 maart 2012, 11/2277 en 11/2813 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam B.V.] gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 februari 2013. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 25 januari 2011 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat hij op 8 november 2010 van een werknemer van appellante een aanvraag heeft ontvangen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij is vermeld dat de aanvraag uiterlijk op 2 augustus 2010 ingediend had moeten zijn en dus 98 dagen te laat is. Onder verwijzing naar artikel 629, elfde lid onder a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het Uwv de periode van 104 weken waarover appellante het loon tijdens ziekte van de werknemer moet doorbetalen met 98 dagen verlengd tot

8 februari 2011.

1.2. Bij besluit van 26 januari 2011 heeft het Uwv het tijdvak waarin de werknemer jegens appellante recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken tot 8 februari 2012. Die verlenging - ook wel loonsanctie genoemd - is opgelegd, omdat appellante vanaf 1 juli 2010 niet voldoende heeft gedaan om haar werknemer te re-integreren, terwijl er wel arbeidsmogelijkheden waren. Bij het opleggen van de loonsanctie heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA in verbinding met artikel 65 van die wet.

1.3. Bij besluit van 6 juni 2011 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 januari 2011 ongegrond verklaard. Bij besluit van 18 juli 2011 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 januari 2011 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Met betrekking tot het bestreden besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op de voet van artikel 64, derde lid, van de Wet WIA uitsluitend beoordeelt of de aanvraag te laat is ingediend en zo ja, op grond daarvan in samenhang bezien met artikel 629, elfde lid onder a, van Boek 7 van het BW vaststelt tot welk moment de verlenging van de periode van loondoorbetaling loopt, zonder zich uit laten over de vraag of de werknemer daadwerkelijk recht heeft op doorbetaling van zijn loon. Ten aanzien van het bestreden besluit 2 was de rechtbank van oordeel dat de loonsanctie terecht is opgelegd tot 8 februari 2012.

3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat de bestreden besluiten 1 en 2 niet in stand kunnen blijven, omdat het wettelijke systeem waarop zij gebaseerd zijn met zich brengt dat de verplichting van appellante tot loondoorbetaling langer dan 104 weken, de maximumtermijn van 52 weken niet mag overschrijden. Bovendien is appellante van mening dat de werknemer zelf verantwoordelijk is voor het tijdig aanvragen van een WIA-uitkering en haar van de te late indiening van de aanvraag door de werknemer geen verwijt gemaakt kan worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het oordeel van de rechtbank dat het besluit tot verlening van de loondoorbetalingsverplichting wegens te late WIA-aanvraag een andere wettelijke grondslag heeft dan het loonsanctiebesluit van 26 januari 2011 en dat geen wettelijke regel zich verzet tegen het naast elkaar bestaan van beide besluiten, is in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad (zie LJN BM1194 en BX6447).

4.2. Ten aanzien van het standpunt van appellante dat zij niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor het feit dat haar werknemer de WIA-aanvraag te laat heeft ingediend, wordt eveneens verwezen naar voormelde uitspraak gepubliceerd in LJN BX6447. In die uitspraak is vastgesteld dat het Uwv bij het vaststellen van de verlenging van de periode van loondoorbetaling vanwege de te late indiening van de WIA-aanvraag, op zich niet de plicht van appellante tot doorbetaling van het loon van haar werknemer in civielrechtelijke zin vaststelt, maar slechts het tijdvak verlengt waarin de regels met betrekking tot de loonbetaling tijdens ziekte op grond van artikel 629 van Boek 7 van het BW tussen werkgever en werknemer gelden.

5. Uit hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker