Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
12/2787 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand wegens onder meer ontvangen nabetalingen uit hoofde van nabestaandenpensioenen en heffingskortingen.

Raad: De verplichtingen om Delta Lloyd te verzoeken de loonheffingskorting toe te passen, een kopie van de gecorrigeerde pensioenuitbetaling aan het college te zenden, aangifte te doen over de jaren 2001 tot en met 2010 en een kopie van de aanslag over de belastingjaren vanaf 2001 aan het college te zenden, kunnen worden gebaseerd op art. 55 van de WWB. De betreffende verplichtingen strekken immers tot vermindering van de bijstand, omdat de korting van invloed is op de hoogte van het netto pensioen en daarmee ook op de bijstand die aan appellante ter aanvulling op dit pensioen wordt verstrekt.

Appellante heeft aangevoerd dat het college haar niet de verplichting had mogen opleggen om door middel van een loonbelastingverklaring aan Delta Lloyd de loonheffingskorting te laten toepassen. Daartoe heeft zij gesteld dat uit de toelichting op deze verklaring blijkt dat deze korting maar bij één werkgever of uitkeringsinstantie tegelijkertijd kan worden toegepast. Nu het college de heffingskorting al heeft toegepast op haar aanvullende bijstand, is het niet mogelijk om Delta Lloyd te verzoeken ook de heffingskorting toe te laten passen. Deze beroepsgrond treft geen doel. Wanneer een belastingplichtige inkomen uit of in verband met arbeid heeft en dit inkomen wordt aangevuld met bijstand ingevolge de WWB, dan moet bij de berekening van de loonheffing over de bijstand rekening worden gehouden met de elders benutte loonheffingskorting. Voor het college is het daarom van belang om vast te stellen welk bedrag aan algemene heffingskorting bij Delta Lloyd wordt benut dan wel kan worden benut ten einde te voorkomen dat te weinig inkomsten worden gekort op de aanvullende bijstand van appellante. Het is daarbij aan Delta Lloyd om te bepalen of het mogelijk is aan het verzoek van appellante gevolg te geven. Niet kan worden geoordeeld dat het college niet in redelijkheid van de bevoegdheid ingevolge art. 55 van de WWB gebruik heeft kunnen maken. Aangevallen uitspraak bevestigd.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/172
RSV 2013/158
JWWB 2013/74
PJ 2013/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2787 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 april 2012, 11/7902 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Westland (college)

Datum uitspraak 2 april 2013.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2013. Appellante is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 21 januari 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 20 december 2006 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2006 ingetrokken. Na bezwaar en beroep heeft het college bij nader besluit van 23 juli 2009, aangevuld bij besluit van 14 september 2009, voor zover hier van belang, besloten de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2006 voort te zetten. Bij besluit van 24 november 2009 heeft het college een bedrag van € 14.794,06 van appellante teruggevorderd wegens onder meer ontvangen nabetalingen uit hoofde van nabestaandenpensioenen en heffingskortingen. Het terug te vorderen bedrag aan nabetalingen is verrekend met de nabetaling van bijstand vanaf 1 augustus 2006. Bij uitspraak van heden in 11/3615 WWB heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 11 mei 2011, waarbij het beroep tegen de in bezwaar gehandhaafde terugvordering van de heffingskortingen over 2004 en 2005 ongegrond is verklaard, bevestigd.

1.3. Bij besluit van 23 februari 2011 heeft het college appellante de verplichting opgelegd om binnen twee weken na dagtekening van dit besluit bij Delta Lloyd levensverzekering NV (Delta Lloyd) te verzoeken de loonheffingskorting toe te passen over het door Delta Lloyd aan appellante verstrekte persioen en, zodra zij een gecorrigeerde pensioenuitbetaling ontvangt, daarvan een kopie aan het college te zenden. Voorts heeft het college appellante de verplichting opgelegd om binnen twee weken na dagtekening van dit besluit aangifte te doen over de jaren 2001 tot en met 2010 en, zodra zij een aanslag over de belastingjaren vanaf 2001 ontvangen heeft, daarvan een kopie aan het college te zenden. Het college heeft appellante deze verplichtingen opgelegd omdat bij een administratieve controle is ontdekt dat op geen van de door haar ontvangen pensioenen loonheffingskorting wordt toegepast.

1.4. Bij besluit van 30 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college, in navolging van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Westland, het bezwaar tegen het besluit van 23 februari 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 23 februari 2011 herroepen en - zelf in de zaak voorziend - bepaald dat appellante binnen zes maanden na verzending van de uitspraak belastingaangifte doet van de jaren 2001 tot en met 2010, dat zij binnen twee weken na verzending van de uitspraak Delta Lloyd verzoekt een loonheffingskorting op haar pensioen toe te passen en dat indien en voor zover appellante een gecorrigeerde pensioenbetaling van Delta Lloyd ontvangt, zij het college hierover binnen twee weken na ontvangst van de gecorrigeerde uitbetaling middels brief bericht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, afgezien van de termijnstelling, het college appellante terecht de verplichting heeft opgelegd om de heffingskorting aan te vragen en om belastingaangifte te doen over de jaren vanaf 2001.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij zelf in de zaak heeft voorzien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen dat geen sprake is van onbevoegd genomen besluiten en dat evenmin is gebleken van omstandigheden die wijzen op partijdigheid van de zijde van leden van de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Westland dan wel degene die namens het college het besluit op bezwaar heeft genomen, wordt onderschreven. De desbetreffende, in hoger beroep herhaalde beroepsgronden slagen daarom niet. Het betoog van appellante dat de rechtbank de schijn van partijdigheid heeft gewekt door het eerst op 6 januari 2011 door het college ingediende verweerschrift in zijn beoordeling te betrekken, slaagt evenmin. Daarbij is van belang dat de in artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vermelde termijn voor het indienen van een verweerschrift een termijn van orde is. Het college heeft zijn verweerschrift bovendien meer dan tien dagen voor de zitting bij de rechtbank ingediend.

4.2. Ingevolge artikel 55 van de WWB, voor zover hier van belang, kan het college vanaf de dag van de melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplichtingen opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot vermindering of beëindiging van bijstand.

4.3. De verplichtingen om Delta Lloyd te verzoeken de loonheffingskorting toe te passen, een kopie van de gecorrigeerde pensioenuitbetaling aan het college te zenden, aangifte te doen over de jaren 2001 tot en met 2010 en een kopie van de aanslag over de belastingjaren vanaf 2001 aan het college te zenden, kunnen worden gebaseerd op artikel 55 van de WWB. De betreffende verplichtingen strekken immers tot vermindering van de bijstand, omdat de korting van invloed is op de hoogte van het netto pensioen en daarmee ook op de bijstand die aan appellante ter aanvulling op dit pensioen wordt verstrekt.

4.4. Appellante heeft aangevoerd dat het college haar niet de verplichting had mogen opleggen om door middel van een loonbelastingverklaring aan Delta Lloyd de loonheffingskorting te laten toepassen. Daartoe heeft zij gesteld dat uit de toelichting op deze verklaring blijkt dat deze korting maar bij één werkgever of uitkeringsinstantie tegelijkertijd kan worden toegepast. Nu het college de heffingskorting al heeft toegepast op haar aanvullende bijstand, is het niet mogelijk om Delta Lloyd te verzoeken ook de heffingskorting toe te laten passen. Deze beroepsgrond treft geen doel. Wanneer een belastingplichtige inkomen uit of in verband met arbeid heeft en dit inkomen wordt aangevuld met bijstand ingevolge de WWB, dan moet bij de berekening van de loonheffing over de bijstand rekening worden gehouden met de elders benutte loonheffingskorting. Voor het college is het daarom van belang om vast te stellen welk bedrag aan algemene heffingskorting bij Delta Lloyd wordt benut dan wel kan worden benut ten einde te voorkomen dat te weinig inkomsten worden gekort op de aanvullende bijstand van appellante. Het is daarbij aan Delta Lloyd om te bepalen of het mogelijk is aan het verzoek van appellante gevolg te geven. Niet kan worden geoordeeld dat het college niet in redelijkheid van de bevoegdheid ingevolge artikel 55 van de WWB gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Appellante heeft voorts aangevoerd dat het voor haar niet mogelijk is om vanaf 2001 zelf de heffingskorting aan te vragen bij de Belastingdienst, tenzij zij onder andere giften opvoert op een zogenoemd T-biljet wat zij ook in 2006 heeft gedaan. Om dat te kunnen doen stelt zij meer tijd nodig te hebben dan haar is geboden en ook hulp, waarvan de kosten niet voor haar rekening mogen komen als het college de heffingskortingen terugvordert. Over 2009 heeft appelante gesteld geen aangifte te kunnen doen omdat de jaaropgave van dat jaar onjuist is. Ook deze beroepsgronden treffen geen doel. Met de in de aangevallen uitspraak daarvoor gestelde termijn is appellante tot 6 oktober 2012 de tijd gegund om over 2001 tot en met 2010 aangifte te doen. Vanaf het besluit van 23 februari 2011 heeft appellant daarom meer dan 19 maanden en dus ruimschoots de tijd gehad om aangifte over de desbetreffende jaren te doen. Daar komt bij dat appellante ter zitting heeft verklaard dat zij inmiddels niet alleen de aanslagen over 2006 en 2009 heeft ontvangen, maar ook de aanslagen over de jaren 2007, 2010 en 2011 en dat zij voor de jaren 2001, 2002, 2004 en 2005 al aangifte had gedaan, maar alleen de alleenstaande ouderkorting heeft ontvangen. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het, net als bij ieder ander, voor rekening van appellante komt dat zij bij het doen van de aangifte hulp nodig heeft en voorts dat appellante zich wat betreft de jaaropgave over 2009 tot de instantie die de jaaropgave heeft afgegeven kan wenden en bij de aangifte over 2009 een voorbehoud kan maken ten aanzien van de juistheid van de jaaropgave.

4.6. De gronden die appellante heeft aangevoerd tegen het in het besluit van 23 februari 2011 vervatte voornemen van het college om de nabetaling in verband met de loonheffing over de pensioenbetalingen die zij op aanslag van de belastingdienst gaat ontvangen over de jaren vanaf 2001 van haar terug te vorderen, kunnen in dit geding niet worden beoordeeld omdat van een op rechtsgevolg gericht besluit nog geen sprake is. De gronden die appellante heeft aangevoerd tegen de aan haar opgelegde arbeidsverplichtingen, de verplichting om ingeschreven te staan bij het CWI en om mee te werken aan een onderzoek bij Argonaut, vallen buiten de omvang van het onderhavige geding. Dit geldt ook voor het verzoek van appellante om de juiste maandspecificaties te ontvangen en haar verzoek dat alles wordt terugbetaald wat al is teruggevorderd aan nabestaandenpensioen en heffingskortingen.

4.7. Uit 4.1 tot en met 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

KR