Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6128

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
12/2194 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:1011, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2194 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 maart 2012, 11/5044 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

Datum uitspraak 2 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.A.I. De Spirt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.F.M. Gulickx, kantoorgenoot van mr. De Spirt. De commissie heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt tezamen met zijn echtgenote vanaf 1 september 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Bij besluit van 15 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft de commissie het bezwaar tegen het besluit van 3 april 2008, voor zover daarbij het verzoek van appellant om een persoonsgebonden re-integratiebudget is afgewezen, ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat het door appellant gevraagde budget voor de opleiding tot rijinstructeur terecht is geweigerd omdat appellant onder meer niet voldoet aan de voorwaarde dat hij niet wordt begeleid door een re-integratiebedrijf. Aan deze voorwaarde voldoet appellant niet omdat hij met ingang van 16 november 2007 gedurende zes maanden heeft deelgenomen aan een re-integratietraject bij Fourstar Reïntegratie Service bv.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt - ambtshalve - tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 13 december 2011, LJN BU8633) is slechts sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het beroep niet in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden geen uitspraak worden gevraagd.

4.2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a. De betreffende regels zijn in dit geval neergelegd in de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Breda (Re-integratieverordening).

4.2.2. Ingevolge artikel 8A, eerste lid, van de Re-integratieverordening, voor zover hier van belang, kan het college aan personen met een uitkering ingevolge de WWB een subsidie aanbieden in de vorm van persoonsgebonden re-integratiebudget ter voldoening van noodzakelijke te maken kosten van werkzaamheden gericht op arbeidsinschakeling. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het college ten aanzien hiervan bij uitvoeringsbesluit nadere regels stellen.

4.2.3. Ingevolge artikel 12A, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit re-integratieverordening van het college van burgemeester en wethouders van Breda bedraagt de hoogte van de subsidie die uitkeringsgerechtigden en kunstenaars ontvangen op grond van artikel 8A van de re-integratieverordening maximaal € 5.000,--. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de subsidie rechtstreeks betaalbaar wordt gesteld aan bedrijven en organisaties die het traject of onderdelen daarvan uitvoeren.

4.3. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij met zijn gezin in augustus 2012 is verhuisd naar de gemeente Arnhem en dat zij sindsdien in die gemeente bijstand ontvangen. Ingevolge artikel 40 van de WWB heeft appellant sinds deze verhuizing jegens de commissie geen recht meer op bijstand. Daaruit vloeit tevens voort dat appellant niet langer jegens de commissie aanspraak kan maken op een persoonsgebonden re-integratiebudget als bedoeld in artikel 8A van de Re-integratieverordening. Het door appellant ingestelde hoger beroep kan om die reden er niet toe leiden dat na een eventuele vernietiging van het bestreden besluit de commissie aan hem alsnog een persoonsgebonden re-integratiebudget toekent om daaruit een opleiding tot rijinstructeur of, zoals in hoger beroep nader is betoogd, een opleiding tot taxichauffeur of vrachtwagenchauffeur te bekostigen.

4.4. Desgevraagd heeft appellant ter zitting aangevoerd dat hij een procesbelang heeft in verband met vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten en de gemaakte proceskosten. Vaststaat evenwel dat appellant geen verzoek heeft gedaan tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten voordat het bestreden besluit was genomen, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde voor vergoeding van deze kosten als bepaald in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts kan, zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 30 augustus 2011, LJN BR7047, geen procesbelang worden ontleend aan de door appellant verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten. De omstandigheid dat appellant het als onbevredigend ervaart dat hij als gevolg van een verhuizing naar een andere gemeente geen inhoudelijke uitspraak van de Raad in dit geding kan verkrijgen, kan niet als een in rechte te honoreren belang worden aangemerkt. Dit brengt mee dat appellant geen tot zijn persoon ter herleiden belang meer heeft bij de beoordeling ten gronde van het bestreden besluit. In aanmerking genomen dat appellant niet heeft gesteld schade te hebben geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming en ook deswege niet is verzocht om vergoeding van schade, is ook anderszins geen procesbelang aanwezig.

4.5. Hetgeen in 4.1 tot en met 4.4. is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.T.P. Pot

HD