Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6115

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
11/3311 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3311 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

18 april 2011, 10/5151 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

Datum uitspraak 2 april 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2013. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N.Y. Mugge.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontving sinds 13 februari 2007 in de gemeente Helmond bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.3. Naar aanleiding van een e-mailbericht van appellant van 11 oktober 2009 aan het college, waaruit blijkt dat hij met [S.] een gezamenlijke bankrekening heeft geopend, heeft het team Handhaving Sociale Zekerheid, regio Helmond, een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 22 januari 2010.

1.4. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 8 februari 2010, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant over de periode van 1 december 2008 tot 4 januari 2010 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 11.031,93 van appellant terug te vorderen. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan het college te melden dat hij zijn hoofdverblijf in de gemeente Oosterhout had en niet langer in de gemeente Helmond.

1.5. Bij besluit van 17 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2010 gegrond verklaard in zoverre, dat de intrekking wordt beperkt tot de periode van 7 november 2009 tot 4 januari 2010 en de terugvordering tot een bedrag van

€ 1.601,08. Voor het overige heeft het college het besluit van 8 februari 2010 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de te beoordelen periode van 7 november 2009 tot 4 januari 2010 zijn hoofdverblijf niet in de gemeente Helmond had, maar in de gemeente Oosterhout.

4.2. Appellant heeft aangevoerd dat hij het college tijdig over zijn verblijf in Oosterhout heeft ingelicht via het re-integratiebureau USG Restart. Deze beroepsgrond slaagt niet. Met het doorgeven van informatie aan een andere instantie dan het college heeft appellant niet aan zijn inlichtingenverplichting voldaan. Uit de stukken blijkt voorts dat appellant pas op zijn vroegst bij brief van 4 januari 2010 het college heeft ingelicht over zijn verblijf in Oosterhout. Daarbij heeft appellant bovendien aangegeven dat de wijziging in zijn woonsituatie per 4 januari 2010 geldt. Niets in de stukken wijst erop dat appellant eerder aan het college heeft doorgegeven dat hij met ingang van 7 november 2009 in Oosterhout is gaan wonen.

4.3. Appellant heeft voorts een beroep gedaan op dringende redenen op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van terugvordering. Volgens gemeentelijke beleid is sprake van een dringende reden als de vordering is ontstaan buiten toedoen van betrokkene en hem hiervan geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Tevens zal in dat geval aannemelijk moeten zijn dat betrokkene niet kon weten dat hij ten onrechte bijstand ontving. Uit 4.2 vloeit voort dat in dit geval niet aan deze eisen is voldaan zodat het beroep daarop geen doel treft. Appellant heeft verder gewezen op zijn penibele financiële situatie, de noodzaak van de opvang na een zware operatie in het ziekenhuis en de door het college te betrachten coulance wegens door hem verrichte inspanningen voor het Bureau Sociaal Raadslieden. Deze omstandigheden kunnen, gelet op het voorgaande, evenwel niet als dringende reden om van terugvordering af te zien worden aangemerkt. Hij heeft daarbij gewezen op zijn zeer beperkte financiële middelen en op het feit dat hij nog steeds genoodzaakt is schulden als gevolg van zijn eerdere faillissement af te lossen. Dit beroep slaagt niet. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Daarbij heeft appellant als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het betoog van appellant dat hij bij [S.] in Oosterhout verbleef omdat zij hem de steun kon geven die hij nodig had in verband met zijn fysieke hulpbehoevendheid na een zware operatie en daarnaast dat hij van het college meer coulance had verwacht, aangezien het college in het verleden indirect veel profijt heeft gehad van de grote inspanningen van appellant voor onder meer Bureau Sociaal Raadslieden, vormt evenmin een dringende reden, omdat het volgens vaste rechtspraak moet gaan om onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van de terugvordering.

4.4. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.T.P. Pot

HD