Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6081

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
03-04-2013
Zaaknummer
11-7411 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor “premie werken met loonkostensubsidie”. Gelet op de tekst van artikel 3, eerste lid, van het Premiebesluit Wet werk en bijstand moet worden vastgesteld dat appellant niet aan de voorwaarden voor toekenning van de premie voldeed, reeds omdat hij niet tenminste zes maanden in een periode van een jaar gesubsidieerde arbeid heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7411 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

9 november 2011, 10/1216 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2013. Voor appellant is

mr. Brauer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.M. Benning-Hellenbrand.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 16 februari 2009 is appellant in dienst getreden bij [B.V. ] bv te Sittard ([B.V. ]) voor de duur van één jaar in een baan waarvoor door het college loonkostensubsidie werd verstrekt. De arbeidsduur bedroeg 32 uur per week en het netto salaris € 1.052,82. Appellant is als autopoetser tewerkgesteld bij [naam bedrijf ] te Sittard. Op 19 februari 2009 heeft appellant zich ziek gemeld. Na zijn hersteldverklaring op 2 maart 2009 heeft appellant tot het einde van de looptijd van het arbeidscontract bij [B.V. ] geen arbeid meer verricht.

1.2. Op 10 februari 2010 heeft appellant een “premie werken met loonkostensubsidie” (premie) aangevraagd. Bij besluit van 18 februari 2010, gehandhaafd bij besluit van 27 juli 2010 (bestreden besluit), heeft het college die aanvraag afgewezen. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant niet ten minste zes maanden in een periode van een jaar arbeid in een door de gemeente gesubsidieerde baan heeft verricht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij een jaar lang in dienst is geweest bij [B.V. ] en loon heeft ontvangen. Uit de toelichting bij artikel 3 van het Premiebesluit Wet werk en bijstand (Premiebesluit) blijkt dat de premie is bedoeld om uitkeringsgerechtigden te stimuleren een baan met loonkostensubsidie te aanvaarden. Appellant heeft een dergelijke baan aanvaard, zodat hij aan de voorwaarden voor premie voldoet. Het college heeft bovendien nooit inspanningen geleverd om tussentijds voor appellant andere passende arbeid te vinden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 3, eerste lid, van het Premiebesluit bepaalt dat de uitkeringsgerechtigde die algemeen geaccepteerde arbeid vervult, waarbij gebruik wordt gemaakt van door het college verstrekte loonkostensubsidie, een eenmalige premie ontvangt (…) onder voorwaarde dat deze werkzaamheden ten minste gedurende zes maanden in een periode van een jaar hebben plaatsgevonden.

4.2. Gelet op de tekst van artikel 3, eerste lid, van het Premiebesluit moet worden vastgesteld dat appellant niet aan de voorwaarden voor toekenning van de premie voldeed, reeds omdat hij niet tenminste zes maanden in een periode van een jaar gesubsidieerde arbeid heeft verricht. Daargelaten of uit de toelichting op dit artikel zou volgen dat met de enkele aanvaarding van een gesubsidieerde baan aan de voorwaarden voor het ontvangen van een premie zou zijn voldaan, is de tekst van artikel 3, eerste lid, van het Premiebesluit duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Daaraan komt dan ook doorslaggevende betekenis toe. Wat appellant overigens nog heeft aangevoerd over de inspanningen die het college zich had moeten getroosten om voor hem tussentijds nog andere passende arbeid te vinden, kan, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel leiden.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.T.P. Pot

HD