Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2013
Datum publicatie
02-04-2013
Zaaknummer
11-2758 AOW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4436
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op appellants AOW-pensioen vanwege niet verzekerde jaren. De Svb heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant gedurende een bepaalde periode niet verzekerd was ingevolge de AOW, omdat hij toen geen ingezetene was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2758 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 april 2011, 10/5787 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.], Duitsland (appellant)a

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak 29 maart 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.M. Staal-Olislaegers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Staal-Olislaegers. Namens de Svb is mr. A.P. van den Berg verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 19 juni 2009 heeft de Svb aan appellant met ingang van augustus 2009 een volledig pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend.

1.2. Bij besluit van 9 juli 2010 heeft de Svb alsnog met ingang van augustus 2009 op appellants pensioen een korting van 8% toegepast vanwege vier niet verzekerde jaren. De korting heeft betrekking op de niet verzekerde periode van 1 mei 2005 tot en met 8 augustus 2009.

1.3. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juli 2010 is bij besluit van 20 oktober 2010 ongegrond verklaard (bestreden besluit). Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard wegens een ondeugdelijke motivering, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daarbij het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN BP1466) tot uitgangspunt genomen.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij in de periode van 1 mei 2005 tot en met 8 augustus 2009 ingezetene van Nederland was. De rechtbank is volgens hem voorbijgegaan aan de criteria weergegeven in het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In dit geding is louter in geschil of de korting op het aan appellant toegekende AOW-pensioen in rechte stand kan houden. Daarbij staat de vraag centraal of appellant in de periode van 1 mei 2005 tot en met 8 augustus 2009 als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd.

4.2. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AOW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AOW naar de omstandigheden beoordeeld.

4.3. In het arrest van 21 januari 2011 heeft de Hoge Raad overwogen dat het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aankomt of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

4.4. Appellant heeft ter zitting verklaard dat de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak weergegeven feiten juist zijn doch dat hij het niet eens is met de weging van die feiten en omstandigheden. De Raad ontleent aan de aangevallen uitspraak de volgende feiten en omstandigheden waarbij voor eiser appellant moet worden gelezen en voor verweerder Svb.

“Uit de verklaring die eiser heeft afgelegd bij het huisbezoek in Duitsland op 27 mei 2010 blijkt dat hij in mei 2005 de huur van zijn woning in Hoogezand heeft opgezegd en het grootste deel van zijn huisraad heeft weggegeven. Eiser slaapt sindsdien bij [G.] in Duitsland en doet daar bijvoorbeeld ook de tuin. Eiser heeft alleen zijn kleding meegenomen naar Duitsland. De rechtbank concludeert hieruit dat eiser in mei 2005 de duurzame betrekkingen met Nederland heeft verbroken en ervoor heeft gekozen om zijn woonplaats naar Duitsland te verleggen. Eiser heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zijn tandarts, huisarts, ziekenhuis en zorgverzekering nog altijd Nederlands zijn. Ook heeft eiser een prepaid telefoon bij een Nederlandse provider en gaat hij in Nederland naar de visclub.”

4.5. Appellant heeft daar nog aan toegevoegd dat hij in Nederland boodschappen doet, dat hij in Nederland verzekeringen heeft gesloten, dat hij in Nederland een bank heeft en dat zijn familie in Nederland woont. Hij spreekt geen Duits en heeft geen binding met Duitsland, aldus appellant.

4.6. De hierboven omschreven omstandigheden kunnen niet leiden tot het aannemen van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de appellant en Nederland in de periode in geding. Van belang wordt geacht dat appellant in de periode in geding bij zijn vriendin in Duitsland heeft gewoond en zijn activiteiten vanuit deze woning heeft verricht. Appellant beschikte niet meer over duurzame woongelegenheid in Nederland. Weliswaar mag worden aangenomen dat het maatschappelijk leven van appellant zich voor een deel in Nederland heeft afgespeeld, maar gezien het feit dat appellants duurzame woongelegenheid zich in Duitsland bevond, kan dit niet leiden tot het aannemen van Nederlands ingezetenschap. Een eventuele inschrijving in de GBA op het adres van zijn broer en schoonzuster kan, nu dit een postadres betreft, daar niet aan afdoen.

4.7. De Svb heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat appellant in de periode van 1 mei 2005 tot en met 8 augustus 2009 niet verzekerd was ingevolge de AOW, omdat hij toen geen ingezetene was.

4.8. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) Z. Karekezi

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

JL