Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4734

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2013
Datum publicatie
19-03-2013
Zaaknummer
13-548 WW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om een voorlopige voorziening. Gegeven het feit dat het Uwv het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft ingetrokken, is niet langer voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot de uitspraak ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd hoger beroep is ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/200 met annotatie van R. Stijnen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/548 WW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[A. te B.] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 11 maart 2013.

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 december 2012, 12/4810 (aangevallen uitspraak).

Verzoeker heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het Uwv heeft met een brief van 19 februari 2013 het hoger beroep ingetrokken en op 21 februari 2013 een nieuw besluit genomen.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Gegeven het feit dat het Uwv het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft ingetrokken, is niet langer voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot de uitspraak ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd hoger beroep is ingesteld. Hoewel voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de Raad tot het treffen van een voorlopige voorziening voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, dient deze voorwaarde aldus te worden verstaan dat er een hoger beroep aanhangig moet zijn, wil er een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen.

3. Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk is.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2013.

(getekend) M. Greebe

(getekend) K.E. Haan

JL