Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2013
Datum publicatie
06-03-2013
Zaaknummer
11-4155 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1408, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tolk. Overschrijding termijn instellen hoger beroep. Zelfstandig onderdeel van de aangevallen uitspraak. Hoger beroep niet-ontvankelijk. Beëindiging bijstand. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/102
USZ 2013/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4155 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 juni 2011, 11/216 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

Datum uitspraak 5 maart 2010.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Visscher, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Visscher. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is sinds 19 oktober 2005 gescheiden van [K.] met wie zij vijf kinderen heeft. Appellante ontving na haar verhuizing van Urk naar Amersfoort in laatstgenoemde gemeente vanaf 5 september 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van de melding dat appellante zou samenwonen met [K.] heeft de sociale recherche van de gemeente Amersfoort een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn waarnemingen verricht, is diverse instanties om inlichtingen verzocht, zijn appellante en [K.] verhoord en zijn getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 25 augustus 2010.

1.3. Naar aanleiding van het onderzoek van de sociale recherche heeft het college de uitkering van appellante per 1 juli 2010 niet uitbetaald.

1.4. De onderzoeksresultaten zijn voor het college voorts aanleiding geweest om bij besluit van 31 augustus 2010 de bijstand per 1 juli 2010 te beëindigen. De besluitvorming berust op het standpunt dat uit het onderzoek is gebleken dat appelante onjuiste inlichtingen heeft verstrekt ten aanzien van haar woon- en leefsituatie omdat zij geen mededeling heeft gedaan van het feit dat zij samenwoont en het inkomen van haar partner hoger is dan de bijstandnorm die voor hen beiden geldt.

1.5. Bij besluit van 6 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het niet uitbetalen en het beëindigen van de bijstand ongegrond verklaard, met dien verstande dat de bijstand wordt beëindigd per 31 augustus 2010 in plaats van 1 juli 2010 en dat de beëindiging plaatsvindt omdat appellante, zonder hiervan mededeling te doen, een gezamenlijke huishouding voert met haar ex-echtgenoot [K.] zodat zij niet als zelfstandig rechtssubject van bijstandsverlening kan worden beschouwd en daarom geen recht heeft op de aan haar toegekende bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting verzocht om het onderzoek ter zitting op een nader te bepalen datum te laten plaatsvinden omdat het hem niet is gelukt om een tolk te regelen. De aanwezigheid van een tolk ter zitting acht de gemachtigde van belang in verband met de beoordeling van de beroepsgrond dat niet op de door appellante ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaring mag worden afgegaan omdat appellante zeer beperkt Nederlands spreekt en daarom niet zonder hulp van een tolk naar behoren kon worden verhoord. In dit verband heeft de gemachtigde er in het bijzonder op gewezen dat appellante onmogelijk kan hebben verklaard dat, als zij het kort samenvat, [K.] zijn hoofdverblijf bij haar in de woning in Amersfoort had, zoals in het proces-verbaal van 29 juni 2010 staat vermeld.

4.2. Zoals blijkt uit het op ambtseed opgemaakte en na voorlezing door appellante zonder voorbehoud ondertekende proces-verbaal heeft appellante op 29 juni 2010 onder meer verklaard: “Ik spreek en versta de Nederlandse taal redelijk goed. Ik heb geen tolk nodig. […] Ik begrijp goed wat ik verklaard heb en heb de mogelijkheid gehad om mijn verklaring aan te passen en aanpassingen aan te geven.” Ter zitting heeft de gemachtigde voorts desgevraagd toegegeven dat appellante, ondanks haar gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal, niettemin op de vragen van de sociale recherche in detail veel feitelijke gegevens heeft kunnen verstrekken over haar woon- en leefsituatie en dat de in het proces-verbaal opgenomen feitelijke gegevens niet onjuist zijn. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en appellante op een nadere zitting in aanwezigheid van een tolk vragen te stellen over de door haar afgelegde verklaring.

4.3. Appellante heeft bij brief van 11 januari 2013 aanvullende gronden van beroep ingediend. Daarbij heeft zij onder meer haar in bezwaar en beroep ingenomen standpunt dat per 1 juli 2010 sprake was van een opschorting in plaats van een blokkering gehandhaafd. In haar (hoger) beroepschrift van 12 juli 2011 heeft appellante echter als enige grond aangevoerd dat zij onder meer van mening is dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf en daarbij bovendien de verklaring van appellante ten onrechte in de beoordeling heeft betrokken. In haar aanvullend hoger beroepschrift van 16 augustus 2011 heeft appellante weliswaar verzocht al hetgeen in het eerdere naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen, maar vervolgens heeft zij gesteld dat zij zich nog altijd niet kan vinden in de aangevallen uitspraak, waarbij zij haar gronden beperkt heeft tot het verhoor en het hoofdverblijf. Door pas in haar brief van 11 januari 2013 voor het eerst op te komen tegen het oordeel van de rechtbank over het niet uitbetalen van de bijstand per 1 juli 2010 heeft appellante de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen dit afzonderlijke en zelfstandige onderdeel van de aangevallen uitspraak, zoals neergelegd in 2.12 tot en met 2.14 van die uitspraak, ruimschoots overschreden. Het hoger beroep zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verkaard.

4.4. Van beëindiging van bijstand is sprake indien aan een besluit tot toekenning van periodieke bijstand de juridische werking wordt ontnomen met ingang van een dag die is gelegen op of na de datum van het besluit tot beëindiging. De artikelen 43 en 44 van de WWB vormen daarvoor de - formele - bevoegdheidsgrondslag.

4.5. Appellante heeft aangevoerd dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, reeds omdat de rechtbank door artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB aan te halen, een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals ook in de aangevallen uitspraak is verwoord, ziet het bestreden besluit op de beëindiging van de bijstand met ingang van de datum van het beëindigingsbesluit. Uit overweging 2.11 blijkt dat de rechtbank vervolgens ook een juiste toetsingsgrondslag heeft gehanteerd door te beoordelen of het college het recht op bijstand per 31 augustus 2010 heeft mogen beëindigen wegens een gezamenlijk hoofdbedrijf op het adres van appellante.

4.6. Appellante heeft daarnaast aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat, gelet op haar zeer slechte beheersing en begrip van de Nederlandse taal, er in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgeweken van de hoofdregel dat van de juistheid van een ten overstaan van de sociaal rechercheur afgelegde verklaring kan worden uitgegaan. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Uit 4.2 volgt dat haar beperkte beheersing en begrip van de Nederlandse taal er bij appellante niet aan in de weg hebben gestaan om gedetailleerd over haar woon- en leefsituatie te verklaren. De in hoger beroep overgelegde verklaringen van drie hulpverleners van appellante doen daaraan niet af. Daarin wordt vooral benadrukt dat appellante geschreven teksten niet of niet goed begrijpt. De omstandigheid dat de politierechter volgens het proces-verbaal van 14 februari 2012 minder waarde heeft gehecht aan de door appellante op 29 juni 2010 afgelegde verklaring omdat daar geen tolk bij aanwezig is geweest en haar heeft vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, doet volgens vaste rechtspraak (CRvB 22 februari 2011, LJN BP5715) aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.7. Aangezien vaststaat dat appellante en [K.] gehuwd zijn geweest en uit hun relatie vijf kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of op de hier te beoordelen datum sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [K.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.8. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verklaringen van appellante en [K.] al een toereikende feitelijke grondslag bieden voor het oordeel dat dat op 31 augustus 2010 het geval was. Appellante heeft verklaard dat het samenwonen eigenlijk al weer is begonnen toen zij na haar scheiding uit Ede is vertrokken en in Urk is gaan wonen. Zij heeft verder verklaard dat sinds zij met haar vijf kinderen in Amersfoort is gaan wonen [K.] ook veel bij haar is. Hij is in de weekeinden altijd bij hen en door de week niet altijd. Meestal komt hij na zijn werk naar huis. Hij is er niet iedere nacht. Af en toe is hij wel eens weg. Appellante heeft verklaard het zelf niet als samenwonen te zien omdat [K.] ook wel eens een nacht niet bij haar is. Hij is wel grotendeels bij haar. Ook [K.] heeft verklaard dat hij dagelijks na zijn werk naar Amersfoort gaat en daar dan tot een uur of 22.00 of 23.00 blijft. Ook blijft hij weleens in Amersfoort slapen. Door de week komt dat wel voor en in het weekeinde vaker. Hij voedt samen met appellante de kinderen op en brengt een van de kinderen op maandag, woensdag en zaterdag naar het voetballen. Ook is het zo dat zijn oudste zoon een computer in zijn kamer heeft en de administratie van de zaak van [K.] bijhoudt. [K.] kan niet vertellen hoeveel hij in Amersfoort verblijft. Wel is het zo dat hij een nacht of twee à drie in Amersfoort slaapt en elke dag bij zijn ex en zijn kinderen komt.

4.9. De stelling van appellante dat [K.] niet bij haar maar, in verband met hun opvoeding, bij zijn kinderen over de vloer kwam, maakt wat in 4.8 is overwogen niet anders. Immers, de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.10. Uit 4.7 tot en met 4.9 volgt dat appellante en [K.] op 31 augustus 2010 een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de WWB en appellante als gehuwd moet worden aangemerkt. Appellante kon om die reden niet langer worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en had dan ook geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college heeft daarom terecht en op goede gronden de bijstand van appellante per 31 augustus 2010 beëindigd.

4.11. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de beëindiging van de bijstand niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen de handhaving van de beëindiging ongegrond is verklaard voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het niet uitbetalen van de bijstand

per 1 juli 2010 niet-ontvankelijk;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen de handhaving van de

beëindiging ongegrond is verklaard.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2010.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) M.R. Schuurman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD