Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2591

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2013
Datum publicatie
28-02-2013
Zaaknummer
11-5245 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BR4436, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene was niet verplicht voorafgaande toestemming bij de werkgever te vragen voor het opnemen van verlof in de periode van 13 augustus 2007 tot en met 26 augustus 2007. Voor zover appellant betoogt dat het de verplichting betreft om vooraf verlof te vragen bij het UWV en niet bij de werkgever, wordt geoordeeld dat een dergelijke verplichting voortvloeit uit de Werkloosheidswet en niet uit het NRGA en derhalve geen verplichting betreft die voortkomt uit het dienstverband.

Geen plichtsverzuim in de zin van de NRGA. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, zodat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Nieuw besluit op bezwaar. De Raad zal zelf voorzien in de zaak en het besluit herroepen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/110
Module Ambtenarenrecht 2013/1349
ABkort 2013/96
USZ 2013/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5245 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2011, 10/794 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[Naam betrokkene] (betrokkene)

Datum uitspraak 21 februari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. K.R. Lieuw On, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C. Holtkamp. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Lieuw On.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was sinds 1 september 2000 in vaste dienst werkzaam als medewerkster Servicepunt bij de dienst Stadstoezicht (dienst) van de gemeente Amsterdam. Appellant heeft dit dienstverband bij besluit van 28 april 2005, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 januari 2006, beëindigd met ingang van 1 juli 2005. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank op 19 december 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Raad van 28 mei 2009, LJN BI7107, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het ontslagbesluit herroepen.

1.2. Betrokkene is op 13 augustus 2007 samen met haar partner, dochter en zoon met een auto op vakantie naar Marokko gegaan. Bij de terugreis via Spanje heeft de Spaanse politie in de auto van betrokkene verdovende middelen aangetroffen en zijn betrokkene, haar partner, dochter en zoon in Spanje gedetineerd. Nadat de dochter van betrokkene een volledige bekentenis had afgelegd, zijn betrokkene, haar partner en zoon op 4 oktober 2007 vrijgesproken en op vrije voeten gesteld.

1.3. Bij besluit van 2 september 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 februari 2010 (bestreden besluit), heeft appellant met ingang van 13 augustus 2007 aan betrokkene onvoorwaardelijk strafontslag verleend. Aan deze besluitvorming heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene geen gevolg heeft gegeven aan de verplichtingen ingevolge de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) doordat zij zonder voorafgaande toestemming verlof heeft opgenomen over de periode van 13 augustus 2007 tot en met 26 augustus 2007 en doordat zij gedurende de periode van 26 augustus 2007 tot 13 oktober 2007 door eigen handelen en toedoen niet in staat was om werk te verrichten voor de dienst, wegens detentie in Spanje.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep - met bepalingen inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank. De rechtbank heeft overwogen dat door het instellen van rechtsmiddelen de werking aan het besluit van appellant om aan betrokkene per 1 juli 2005 ontslag te verlenen, niet is ontnomen. Daarvan was eerst sprake op het moment dat de Raad op 28 mei 2009 het ontslagbesluit had herroepen. Appellant kon daarom in de maanden augustus tot en met oktober 2007 niet vergen dat betrokkene onverkort gevolg zou geven aan de verplichtingen die ingevolge het bepaalde in de NRGA op de ambtenaar van toepassing zijn. De aan betrokkene verweten gedragingen kunnen daarom niet als aan betrokkene te verwijten plichtsverzuim worden aangemerkt en kunnen derhalve het besluit tot het verlenen van disciplinair ontslag niet dragen.

3. Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat door de herroeping van het ontslagbesluit door de Raad alle verplichtingen tussen het bestuursorgaan en haar ambtenaar geacht worden altijd doorgelopen te hebben. Het dienstverband wordt met terugwerkende kracht hersteld, waardoor volgens appellant een situatie ontstaat alsof betrokkene altijd in dienst is gebleven en betrokkene aan de verplichtingen kan worden gehouden welke uit het dienstverband voortvloeien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is in geschil of betrokkene in de maanden augustus tot en met oktober 2007 kon worden gehouden aan de verplichtingen welke uit het dienstverband voortvloeiden, gelet op het feit dat betrokkene met ingang van 1 juli 2005 ontslag was verleend en het ontslagbesluit is herroepen door de Raad bij zijn uitspraak van 28 mei 2009.

4.2. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de ambtenaarrechtelijke verhouding tussen betrokkene en appellant vanaf 1 juli 2005 als beëindigd moest worden aangemerkt, ook al was het ontslagbesluit vanwege het instellen van rechtsmiddelen niet rechtens onaantastbaar. In artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bezwaar en beroep de werking van het besluit waartegen het is gericht niet schorst. Deze bepaling is, ingevolge artikel 6:24 van de Awb, van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Eerst op 28 mei 2009 is de werking aan het ontslagbesluit ontnomen door de herroeping van dit besluit door de Raad. Deze herroeping brengt niet mee dat betrokkene in de periode van 26 augustus 2007 tot 13 oktober 2007 waarin zij in detentie zat, achteraf beschouwd, kon worden gehouden aan de verplichtingen uit het NRGA.

4.3. Uit 4.2 vloeit voort dat betrokkene evenmin verplicht was voorafgaande toestemming bij de werkgever te vragen voor het opnemen van verlof in de periode van 13 augustus 2007 tot en met 26 augustus 2007. Voor zover appellant betoogt dat het de verplichting betreft om vooraf verlof te vragen bij het UWV en niet bij de werkgever, wordt geoordeeld dat een dergelijke verplichting voortvloeit uit de Werkloosheidswet (WW) en niet uit het NRGA en derhalve geen verplichting betreft die voortkomt uit het dienstverband.

4.4. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat de aan betrokkene verweten gedragingen niet kunnen worden aangemerkt als plichtsverzuim in de zin van de NRGA. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, zodat het hoger beroep van appellant niet slaagt.

5. Omdat het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft, eveneens kleeft aan het besluit van 2 september 2009 en het aan dat besluit klevende gebrek niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar kan worden hersteld, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij het besluit van 2 september 2009 niet is herroepen en de rechtbank de opdracht heeft gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad zal zelf voorzien in de zaak en dit besluit herroepen. Voor het overige zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het besluit van 2 september 2009 niet is herroepen en de rechtbank de opdracht heeft gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

-herroept het besluit van 2 september 2009;

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

-bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 454,- wordt geheven;

-veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) M.R. Schuurman

HD