Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2317

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2013
Datum publicatie
27-02-2013
Zaaknummer
11-2934 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Middelen uit nalatenschap met betrekking tot een periode waarover bijstand is verleend. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2934 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 april 2011, 10/2143 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

Datum uitspraak 26 februari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2013. Appellant is verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 1 april 1992 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In mei 2009 heeft hij het college gemeld dat zijn moeder op 3 april 2009 is overleden. Op het rechtmatigheidsonderzoeksformulier voor april 2010 heeft appellant vermeld dat hij op 19 april 2010 een bedrag van € 50.000,-- uit de nalatenschap van zijn moeder heeft ontvangen.

1.2. Bij besluit van 12 juli 2010 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 3 april 2009 ingetrokken (besluit I). Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant per 3 april 2009 beschikt over vermogen dat het van toepassing zijnde vrij te laten vermogen van € 5.455,-- overschrijdt. Bij afzonderlijk besluit van 12 juli 2010 heeft het college met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 3 april 2009 tot en met 30 april 2010 tot een bedrag van € 11.214,03 van appellant teruggevorderd wegens naderhand verkregen middelen uit de nalatenschap van zijn moeder (besluit II).

1.3. Bij besluit van 5 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen besluit I gegrond verklaard, dit besluit herroepen en het bezwaar tegen besluit II ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat het niet tot een terugvordering had hoeven komen als het college hem destijds niet stelselmatig had tegengewerkt in zijn pogingen om zelfstandig in zijn bestaan te voorzien. Het college heeft de oorzaak van het huidige geschil zelf in het leven geroepen. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat hij zich bijzonder verdienstelijk voor de samenleving heeft gemaakt. Onder deze omstandigheden is het niet redelijk dat het college gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot terugvordering. Volgens appellant zou de rechtspraak van de Raad in die zin moeten worden aangepast.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de bijstand. Deze bepaling biedt dan ook een zelfstandige terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering worden overgegaan.

4.2. Vaststaat dat appellant op 19 april 2010 de beschikking heeft gekregen over een bedrag van € 50.000,-- uit de nalatenschap van zijn overleden moeder, zodat vanaf dat moment sprake is van in aanmerking te nemen middelen met betrekking tot de periode van 3 april 2009 tot en met 30 april 2010, waarover bijstand is verleend.

4.3. Niet in geschil is dat het college in beginsel bevoegd is de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 3 april 2009 tot en met 30 april 2010 van appellant terug te vorderen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college in redelijkheid gebruik mocht maken van deze bevoegdheid.

4.4. Het college voert het beleid dat van terugvordering kan worden afgezien indien daarvoor dringende reden zijn. Evenals de rechtbank ziet de Raad in de door appellant aangedragen omstandigheden geen dringende redenen op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Het college heeft in overeenstemming met zijn beleidsregels tot terugvordering van de bijstand besloten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het college, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van zijn beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Er is daarom geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) M. Sahin

IJ