Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2044

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2013
Datum publicatie
28-02-2013
Zaaknummer
11/4516 AW + 11/4486 AW + 11/4485 AW + 11/4517 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning ontslagvergoeding. Naar het oordeel van de Raad was sprake van een ernstige verstoring van de arbeidsrelatie tussen betrokkene en zijn leidinggevende. Met de brief van de leidinggevende zijn de verhoudingen onnodig op scherp gesteld, omdat daarin - voor betrokkene volkomen onverwacht - wordt gesproken van een beëindiging van het dienstverband. Het aandeel van de raad van bestuur in de verstoorde verhoudingen wordt op meer dan 80% geschat. De ontslagvergoeding van betrokkene moet dus worden berekend door 12 dienstjaren gedeeld door 2, te vermenigvuldigen met het bruto maandsalaris ten tijde van het ontslag, inclusief toelage verzwarende omstandigheden van 10% en inclusief vakantietoeslag en daarop de factor 1 toe te passen. Dit leidt tot een totaalbedrag dat lager is dan door de rechtbank is toegekend.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 99
Werkloosheidswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/72
Module Ambtenarenrecht 2013/1347
AB 2013/231 met annotatie van R. van Arkel
ABkort 2013/104
Module Ambtenarenrecht 2014/1435
JIN 2013/65 met annotatie van P. Kruit
AR-Updates.nl 2013-0160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4516 AW, 11/4486 AW, 11/4485 AW en 11/4517 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2011, 09/3626, 10/3205 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (betrokkene)

de Raad van Bestuur van het Academisch Medisch Centrum (AMC) bij de Universiteit van Amsterdam (raad van bestuur)

Datum uitspraak 28 februari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. E. Schermerhorn, advocaat, hoger beroep ingesteld. Ook de raad van bestuur heeft hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben over en weer verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2013. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Schermerhorn en mr. drs. J.M.H. Lebouille, advocaat. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. Siemons, advocaat, en [naam professor].

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was sinds 1997 werkzaam als academisch medisch specialist bij de afdeling oogheelkunde van de divisie neurozintuigspecialismen van het AMC, van welke afdeling [de professor] sedert 2006 het hoofd is. Betrokkene heeft zich gespecialiseerd op het gebied van de orbitologie, meer in het bijzonder in vet- en gecombineerde

vet-/botdecompressieoperaties bij patiënten met de oogziekte van Graves (uitpuilende ogen).

1.1. Bij brief van 10 oktober 2008 heeft [de professor] betrokkene laten weten het beter te vinden de aanstelling van betrokkene te beëindigen, omdat deze zich niet aan de regels houdt, zijn eigen gang gaat en [de professor] niet als zijn leidinggevende accepteert. Betrokkene heeft daarop per e-mailbericht gereageerd door zijn verbazing over de brief van 10 oktober 2008 uit te spreken en te vragen om opheldering. De reactie van [de professor] daarop was dat er niet meer wordt gepraat over wat er fout ging met de aanstelling van betrokkene, maar hoe betrokkene die gaat beëindigen. [de professor] heeft vervolgens per e-mailbericht van 3 november 2008, onder meer gericht aan betrokkene, laten weten dat hij wil dat er voorlopig geen pure vetdecompressieoperaties worden verricht, maar dat pas na analyse van de resultaten wordt beslist of daarmee door wordt gegaan. Bij brief van 17 november 2008 aan betrokkene heeft [de professor] zijn kritiek op betrokkene nader onderbouwd. Onder meer wordt betrokkene verweten dat hij een nieuw type van operaties uitvoerde zonder zijn leidinggevende te informeren en ook dat hij niet wenst te promoveren. Op 5 december 2008 en op 3 februari 2009 zijn gesprekken gevoerd tussen (onder anderen) betrokkene en [de professor]. Deze hebben niet tot resultaat geleid.

1.2. In februari 2009 is betrokkene vervolgens op non-actief gesteld. Op 12 februari 2009 heeft betrokkene een gesprek gevoerd met de voorzitter van de raad van bestuur, die zich achter [de professor] heeft geschaard. Op een hoorzitting van 17 maart 2009 is [de professor] gebleken dat betrokkene een artikel heeft geschreven waarin een vergelijking is gemaakt tussen door betrokkene uitgevoerde zuivere vetdecompressieoperaties en de door [de professor] uitgevoerde gecombineerde vet-/botdecompressieoperaties. Conclusie van het artikel was dat bij veel operaties van [de professor] complicaties optraden, terwijl dat bij de operaties van betrokkene niet het geval was. Dit artikel heeft betrokkene in februari 2009 ter kennis gebracht van de voorzitter van de raad van bestuur, buiten medeweten van [de professor]. Dit was voor de raad van bestuur reden betrokkene op 19 maart 2009 de toegang tot het AMC te ontzeggen.

1.3. De besluiten over de non-activiteitsstelling en de ontzegging toegang zijn geschorst door de voorzieningenrechter van de rechtbank bij uitspraak van 13 mei 2009. Bepaald is dat betrokkene in de gelegenheid moet worden gesteld zijn werkzaamheden te hervatten. Betrokkene is op zijn werk verschenen op 14 mei 2009, maar hij is op 15 mei 2009 weer op non-actief gesteld. Bij besluit van 28 mei 2009 is vervolgens aan betrokkene met ingang van 1 juni 2009 op grond van artikel 12.12 van de CAO UMC 2008-2011 eervol ontslag verleend op andere gronden. Daarbij is overeenkomstig het bepaalde in het derde lid van dit artikel aan betrokkene een uitkering toegekend ter hoogte van de WW en de BWUMC. Het salaris over juni 2009 is doorbetaald. Betrokkene heeft een uitkering ontvangen tot en met 30 september 2012. Voor een verder strekkende regeling (ontslagvergoeding) zag de raad van bestuur geen reden, omdat het gedrag van betrokkene een grote rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de verstoorde verhoudingen.

1.4. De bezwaren van betrokkene tegen de non-activiteitsstellingen en de ontzegging toegang zijn ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het ontslag is bij besluit van 1 juni 2010 (bestreden besluit) gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat alsnog een aanvullende vergoeding is toegekend van € 50.000,- bruto. Daarbij heeft de raad van bestuur rekening gehouden met de leeftijd (1964), het aantal dienstjaren, de reputatieschade en met het risico dat betrokkene gedurende enige tijd zijn vak niet kan uitoefenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het bestreden besluit vernietigd wat de toekenning van een vergoeding betreft en bepaald dat een financiële compensatie moet worden betaald van € 73.895,-. De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van een ernstige verstoring in de verhouding tussen betrokkene en zijn leidinggevende en dat een basis voor verdere samenwerking ontbreekt. Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding in overwegende mate, te weten voor 75%, aan de raad van bestuur is te wijten. Daarom is de toegekende € 50.000,- niet redelijk. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en heeft een ontslagvergoeding toegekend zoals hiervoor genoemd. De rechtbank is ervan uitgegaan dat de ontslagvergoeding strekt tot gedeeltelijke compensatie van het als gevolg van het ontslag te verwachten inkomensverlies. Daarom is een relatie gelegd met de hoogte van het maandsalaris, met de duur van het dienstverband, zulks vanuit de gedachte dat de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan als werkgever jegens zijn ambtenaren toeneemt naarmate het dienstverband langer heeft geduurd en de relatie hechter is geworden. Tot slot is betekenis toegekend aan de mate waarin sprake is van een overwegend aandeel van de raad van bestuur in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding.

3. Het geschil spitst zich toe op het ontslag. Betrokkene heeft in hoger beroep betwist dat sprake was van verstoorde verhoudingen, waarbij volgens hem moet worden uitgegaan van de situatie in oktober 2008. Verder meent betrokkene, subsidiair, dat hem een hogere ontslagvergoeding toekomt dan toegekend door de rechtbank, omdat zijn aandeel niet 25% is maar nihil, zodat uitgegaan moet worden van factor 2 oftewel 200% van zijn jaarsalaris in plaats van 75%, zoals de rechtbank deed.

De raad van bestuur heeft betwist dat zijn aandeel op 75% moet worden gewaardeerd en heeft gewezen op het niet onaanzienlijke aandeel van betrokkene, met name in februari 2009. De verhouding is niet verstoord geraakt door mededelingen van [de professor] in oktober 2008, maar door het gedrag van betrokkene voorafgaand aan en na oktober 2008. De toegekende € 50.000,- is daarom afdoende.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor de vaststelling of de raad van bestuur bevoegd was om tot ontslagverlening op de gebruikte grond over te gaan is de situatie ten tijde van de ontslagverlening doorslaggevend. Dat betekent dat acht moet worden geslagen op alle feiten en omstandigheden die zich voor hebben gedaan voor 1 juni 2009 en dat de situatie op die datum bepalend is. De stelling van betrokkene dat uitsluitend gelet moet worden op de gebeurtenissen in oktober en november 2008 kan niet worden aanvaard. Er is geen aanleiding om in dit geval een uitzondering te maken op dit algemene uitgangspunt.

4.2. Ten tijde van de ontslagverlening was ook naar het oordeel van de Raad sprake van een ernstige verstoring van de arbeidsrelatie tussen betrokkene en zijn leidinggevende [de professor]. De onvrede die uit de brief van 10 oktober 2008 naar voren komt is nadien ge-escaleerd en de verslagen van de gehouden gesprekken laten zien dat herstel van een goede arbeidsrelatie niet is gelukt. Na februari 2009 is de situatie nog verslechterd en in mei 2009, na de uitspraak van de voorzieningenrechter, werd duidelijk dat zodanig herstel moest worden uitgesloten. De samenwerking tussen betrokkene en [de professor] was wegens diepgaande meningsverschillen over een vakinhoudelijke kwestie en het kennelijk bestaande onvermogen daarover normaal te communiceren onmogelijk geworden. Dit betekent dat de raad van bestuur bevoegd was om betrokkene op de gebruikte grond ontslag te verlenen.

4.3. Voor de vraag of de raad van bestuur bij het gebruikmaken van deze bevoegdheid een hogere compensatie dan € 50.000,- had behoren toe te kennen, is allereerst van belang welk aandeel beide partijen hebben gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoring van de arbeidsrelatie. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een minimumgarantie onvoldoende als komt vast te staan dat het bestuursorgaan daarin een overwegend aandeel heeft gehad, of als een uitkering op minimumniveau gezien de omstandigheden van het geval niet redelijk kan worden geacht (CRvB 9 december 2010, LJN BO8173). Het gaat daarbij niet om volledige schadevergoeding, maar om compensatie van het aandeel van het bestuursorgaan. Daarbij is ook het aandeel van de ambtenaar van betekenis. Het toepassen van de kantonrechtersformule ligt, naar de Raad herhaaldelijk heeft overwogen, in ambtenarenzaken niet voor de hand omdat ambtelijke rechtspositieregelingen veelal een ruimere compensatie bieden bij loonderving dan voor reguliere werknemers het geval is. Niettemin ziet de Raad thans aanleiding om nadere uitgangspunten vast te stellen die in beginsel behoren te worden gehanteerd bij de bepaling van de hoogte van de toe te kennen ontslagvergoeding in geval van een ontslag op andere gronden zoals hier aan de orde is.

4.3.1. Voor toekenning van een vergoeding, naast hetgeen de van toepassing zijnde rechtspositieregeling (als minimum) voorschrijft, bestaat in het algemeen slechts aanleiding als is voldaan aan de voorwaarde die in de rechtspraak steeds is gesteld: er moet sprake zijn van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan (de drempel). Zoals de rechtbank terecht overwoog is vervolgens voor de berekening van de hoogte van die vergoeding de mate van het overwegend aandeel van het bestuursorgaan van belang. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt naar drie bandbreedten: 51 tot 65 %, 65 tot 80% en 80 tot 100%, corresponderend met de factor van 0,5, 0,75 en 1.

Het is verder redelijk, gelet op de belangen die door de ontslagverlening worden geschaad, bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding rekening te houden met de hoogte van het maandsalaris en ook met de duur van het dienstverband, op de gronden die de rechtbank daarvoor heeft genoemd en onder 2 zijn weergegeven. Gelet op de voor ambtenaren geldende bovenwettelijke voorzieningen, waaronder de aansluitende uitkering, bestaat aanleiding daarop een matiging aan te brengen van 50%. Dit een en ander leidt tot de volgende uitgangspunten en berekeningsmethode: bruto maandsalaris (inclusief vakantietoeslag) x (aantal dienstjaren:2) x 0,5, 0,75 of 1 van het aandeel. Voor het meewegen van andere factoren, zoals kansen op de arbeidsmarkt (duur van de werkloosheid), gezondheidstoestand en reputatieschade bestaat in beginsel geen aanleiding, al valt zeker niet uit te sluiten dat een betrokkene in voorkomende gevallen op andere wijze moet worden tegemoet gekomen zoals bijvoorbeeld door het faciliteren van outplacement. De kosten daarvan mogen niet worden afgetrokken van de berekende vergoeding. Dat een betrokkene als gevolg van maatregelen van de werkgever tijdelijk niet werkzaam is geweest, maar wel salaris heeft ontvangen, dient - uitzonderlijke omstandigheden daargelaten - evenmin tot aftrek te leiden.

4.3.2. Bij de vaststelling van het aandeel van de raad van bestuur in de verstoorde verhoudingen die hier aan de orde zijn is het volgende in aanmerking genomen. De brief van 10 oktober 2008 is, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, aan te merken als het begin van de verstoring. Met die brief zijn de verhoudingen onnodig op scherp gesteld, omdat daarin - voor betrokkene volkomen onverwacht - wordt gesproken van een beëindiging van het dienstverband. Betrokkene behoefde dat niet te verwachten, gezien het verslag van het functioneringsgesprek in maart 2008. Daarin wordt in geen enkel opzicht gewag gemaakt van onvrede met het functioneren of de opstelling van betrokkene. Met het e-mailbericht van

31 oktober 2008 heeft [de professor] de deur vervolgens dichtgegooid zonder dat nog ergens over is gesproken en zonder in te gaan op het alleszins redelijke verzoek van betrokkene om opheldering. De stelling dat betrokkene zich niet heeft gehouden aan de in juni 2008 gegeven opdracht een protocol op te stellen voor de door hem uitgevoerde pure vetdecompressieoperaties en tegen een verbod in is doorgegaan met het uitvoeren van die, door [de professor] als experimenteel aangeduide, operaties vindt geen bevestiging in de stukken. Betrokkene heeft verklaard dat in juni overeengekomen is dat een protocol niet nodig was aangezien deze operaties al 90 jaar worden uitgevoerd en niet bijzonder zijn. [de professor] heeft dat niet weersproken en op de hoorzitting bij de bezwaaradviescommissie verklaard dat hij zich zodanige afspraak niet kan herinneren. Feit is wel dat een opdracht voor het maken van een protocol nergens schriftelijk is vastgelegd en dat ook niet is gebleken dat [de professor] na juni 2008 nog heeft aangedrongen op zo’n protocol. Dat doet vermoeden dat de stelling van betrokkene juist is. Dat reeds in juni 2008 een verbod is uitgevaardigd om door te gaan met de omstreden operatiemethode is evenmin komen vast te staan: zodanig verbod is pas te lezen in het e-mailbericht van 3 november 2008, genoemd in 1.1. Moeilijk voorstelbaar is verder dat [de professor] er niet van op de hoogte was dat betrokkene, zijnde zijn directe collega in een kleine groep, ook na juni 2008 is doorgegaan met het uitvoeren van de operaties. De conclusie is dan ook dat de brief van 10 oktober 2008 buitenproportioneel zwaar is aangezet. Dat roept tevens de vraag op of die brief niet ten minste voor een deel is ingegeven door de omstandigheid dat betrokkene enkele dagen daarvoor [de professor] had laten weten niet bij hem te zullen promoveren, hetgeen nadien door [de professor] als een motie van wantrouwen is bestempeld. Ook wijst het verslag van de vergadering van 6 oktober 2008 in de richting van hetgeen betrokkene daarover heeft gesteld: [de professor] zou deze vergadering voortijdig en boos hebben verlaten. Ter zitting heeft [de professor] desgevraagd verklaard zich ook dat niet meer te kunnen herinneren.

4.3.3. Over het aandeel van betrokkene wordt het volgende opgemerkt.

De reactie van betrokkene per e-mailbericht van 31 oktober 2008 op de brief van 10 oktober 2008 is alleszins redelijk te achten. De verwijten die betrokkene worden gemaakt over het opstellen van een analyse te weten het feit dat daarbij - ongevraagd - gebruik is gemaakt van gegevens van [de professor] en dat hij deze analyse ter beschikking heeft gesteld aan de voorzitter van de raad van bestuur buiten medeweten van [de professor], zijn op zich terecht, maar kunnen betrokkene niet zo zwaar worden aangerekend als de raad van bestuur doet. Voor de gedachte dat betrokkene de analyse heeft opgesteld uitsluitend om [de professor] in diskrediet te brengen bestaan geen aanwijzingen. De analyse is opgesteld omdat daarom was gevraagd, bijvoorbeeld in de mail van 3 november 2008. Dat betrokkene niet alleen zijn eigen operaties heeft geanalyseerd, maar een vergelijking heeft gemaakt met de “gouden standaard” methode, de gecombineerde vet-/botdecompressieoperatie, wekt geen bevreemding, immers uit zo’n vergelijking kan blijken welke voor- en nadelen kleven aan beide methodes. Het stond betrokkene ook vrij om met de analyse zijn gelijk te halen. Betrokkene heeft [de professor] ten onrechte niet ingelicht over gebruikmaking van [de professor]’ gegevens, maar heeft zich voor goedkeuring gewend tot de medisch-ethische commissie. Gelet op de houding van [de professor] jegens betrokkene kan dit betrokkene niet zwaar worden aangerekend. Wat de terugkeer op de afdeling op 13 mei 2009 betreft is gebleken dat betrokkene en [de professor] elkaar kennelijk niet hebben getroffen, maar aan wie dat ligt is niet duidelijk. Betrokkene is verweten dat hij alweer patiënten aan het behandelen was, maar dat is gemotiveerd betwist, zodat dat verwijt geen doel treft.

4.3.4. Op grond van bovenstaande overwegingen wordt het aandeel van de raad van bestuur ([de professor]) op meer dan 80% geschat. De ontslagvergoeding van betrokkene moet dus worden berekend door 12 dienstjaren gedeeld door 2, te vermenigvuldigen met het bruto maandsalaris ten tijde van het ontslag, inclusief toelage verzwarende omstandigheden van 10% en inclusief vakantietoeslag en daarop de factor 1 toe te passen. Dit leidt tot een totaalbedrag dat lager is dan door de rechtbank is toegekend.

5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. Het hoger beroep van de raad van bestuur slaagt wel, omdat de rechtbank zelf voorziend een te hoog bedrag heeft toegekend.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover is bepaald dat de raad van bestuur aan

betrokkene een compensatie betaalt van € 73.895,-;

- bepaalt dat de raad van bestuur aan betrokkene een vergoeding betaalt berekend volgens

rechtsoverweging 4.3.4;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde deel van

het besluit van 1 juni 2009;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2013.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) J.T.P. Pot

HD