Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
22-02-2013
Zaaknummer
11-1270 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling datum van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Zorgvuldig onderzoek bezwaarverzekeringsarts. Appellant is in staat om lichamelijk lichte tot middelzware werkzaamheden te verrichten, hetgeen overeenkomt met de reeds uitgebreid door de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerde bevindingen. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1270 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011, 10/851 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 25 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2012. Voor appellant is verschenen mr. A.C.S. Grégoire, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

Op 23 maart 2012 is een tussenuitspraak gedaan (LJN BV9848).

Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. P.C.P Veldman.

OVERWEGINGEN

1. Voor een weergave van de in dit geding van belang zijn de feiten en omstandigheden ten aanzien van appellant, de besluitvorming van het Uwv en het verloop van de onderhavige procedure wordt verwezen naar de tussenuitspraak.

2. In die uitspraak is in 4.2 en 4.3 overwogen dat in dit geding aan de orde is de wijze van toepassing van artikel 39a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In afwijking van de aangevallen uitspraak is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet voldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Uit het dossier volgt dat appellant voor het laatst op 14 november 2006 in het kader van de WAO door een sociaal geneeskundige van de Deutsche Rentenversicherung Westfalen persoonlijk is onderzocht. Het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek dat plaatsvond op 11 november 2009 betrof enkel dossierstudie. Ook in de bezwaarfase is appellant niet onderzocht, maar heeft de bezwaarverzekeringsarts volstaan met dossierstudie. Daar komt bij dat een eerdere datum dan 6 mei 2009 niet in aanmerking is genomen, hetgeen in het licht van de medische informatie van de Duitse artsen wel aangewezen was. De heroverweging in bezwaar is hierdoor niet toereikend geweest. De Raad heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv opdracht te geven het gebrek te herstellen. Daarbij geldt dat appellant (tenminste) nader medisch moet worden onderzocht.

3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv appellant op 24 april 2012 laten onderzoeken door de bezwaarverzekeringsarts K. Corten. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft haar bij dat onderzoek verkregen bevindingen neergelegd in een rapport van 22 mei 2012. Daarin wordt voorts verslag gedaan van het onderzoek van deze bezwaarverzekeringsarts naar de gegevens uit het dossier, waaronder informatie afkomstig van de Duitse artsen en het rapport van 11 november 2009 van de primaire verzekeringsarts van het Uwv, drs. J.E.A. Bemelmans. De bezwaarverzekeringsarts komt tot de slotsom dat er geen medische gronden zijn om een andere of eerdere datum aan te nemen van toegenomen arbeidsongeschiktheid dan 6 mei 2009, de dag van opname van appellant in een kliniek in Duitsland, waarbij toegenomen rugklachten worden beschreven. Met de primaire verzekeringsarts is de bezwaarverzekeringsarts van mening dat aan de op de laatstgenoemde datum aangevangen toeneming van arbeidsongeschiktheid een eind is gekomen bij ontslag uit die kliniek op 27 mei 2009. In het verslag van 27 juli 2009 van het ontslag uit deze opname is vermeld dat appellant weer belastbaar is voor aangepast werk. Ten aanzien van de bekende medisch objectiveerbare gegevens zijn geen nieuwe bevindingen verkregen. Met betrekking tot de bevindingen van vóór 6 mei 2009 is er volgens deze bezwaarverzekeringsarts geen datum aan te wijzen waarop zich een evidente wijziging van of toeneming in arbeidsongeschiktheid heeft voorgedaan wegens veranderingen in rechtstreeks oorzakelijk medisch objectiveerbare feiten. De bezwaarverzekeringsarts heeft eveneens gekeken naar de beperkingen voor het verrichten van arbeid zoals die zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 juni 2007, die volgens de primaire verzekeringsarts van toepassing is op de periode die in dit geding van belang is. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is in deze FML in ruim voldoende mate rekening gehouden met de rugklachten van appellant.

4. Met het overleggen van het verzekeringsgeneeskundig rapport van 22 mei 2012 heeft het Uwv voldaan aan de opdracht van de Raad om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn tussenuitspraak.

5. Er is geen grond voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het door de bezwaarverzekeringsarts verrichte onderzoek. Dat onderzoek voldoet ook anderszins aan de rechtens daaraan te stellen eisen. Van de zijde van appellant zijn naar aanleiding van het onderzoek geen gegevens naar voren gebracht die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. In het bijzonder is een dergelijke aanleiding niet gevonden in het rapport van Dr. Med. Dieter Abels van 17 oktober 2011 en 30 december 2011. Zich aansluitend bij het rapport daaromtrent van bezwaarverzekeringsarts Corten stelt het Uwv zich met juistheid op het standpunt dat de in het rapport van Abels neergelegde bevindingen niet af kunnen doen aan door de (bezwaar)verzekeringsartsen gegeven beoordeling van de medische situatie in de periode die in dit geding van belang is, omdat Abels de actuele gezondheidstoestand van appellant aan een onderzoek heeft onderworpen. Abels vermeldt daarbij niet specifiek welke wijziging zich in de medische situatie van appellant aan het eind van 2008 heeft voorgedaan. In het rapport van Abels wordt ingegaan op het door Dr. Karlinger opgestelde “Orthopädisches Zusatsgutachten” van 17 september 2010. Karlinger heeft na onderzoek vastgesteld dat appellant in staat geacht kan worden tot het verrichten van lichamelijke arbeid, met af en toe middelzware werkzaamheden, waarbij hij gedurende vijf dagen per week, gedurende ten minste zes uur per dag belastbaar is. Deze bevindingen komen overeen met medische gegevens die door de bezwaarverzekeringsarts in zijn eerdere heroverweging zijn betrokken. De kritische benadering door Abels van de bevindingen van Karlinger doen volgens de bezwaarverzekeringsarts aan de juistheid van die bevindingen niet af gezien de verschillende tijdstippen waarop appellant aan verschillende onderzoeken is onderworpen. Bovendien wordt ook door Abels geconcludeerd dat appellant in staat is om lichamelijk lichte tot middelzware werkzaamheden te verrichten, hetgeen overeenkomt met de reeds uitgebreid door de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerde bevindingen.

6. Gezien het in hoger beroep geconstateerde motiveringsgebrek heeft de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte niet vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep gegrond worden verklaard en zal het bestreden besluit worden vernietigd. Gezien hetgeen is overwogen in 4 en 5 zullen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten.

7. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze bedragen

€ 472,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 944,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 5 februari 2010 gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit van 5 februari 2010;

-laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand;

-wijst het verzoek om schadevergoeding af;

-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1416,-;

-bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en E.J. Govaers en M.A. Hoogeveen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) G.J. van Gendt

TM