Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2023

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
22-02-2013
Zaaknummer
12/940 WWB + 12/3831 WWB + 12/5625 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In zijn tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het dagelijks bestuur het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid door appellante tijdens de bezwaarfase onvoldoende gelegenheid te geven nadere bewijsstukken over te leggen. Het dagelijks bestuur heeft betoogd dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig of onrechtmatig genomen is. Appellante heeft de relevante informatie, waardoor het recht op bijstand uiteindelijk kon worden vastgesteld, eerst in hoger beroep verschaft. Daarom faalt het betoog van het dagelijks bestuur. Daar komt nog bij dat het dagelijks bestuur het bestreden besluit niet langer heeft gehandhaafd en heeft vervangen door besluit 3, zodat moet worden geconcludeerd dat appellante tegen het bestreden besluit terecht beroep en hoger beroep heeft ingesteld. Daarom bestaat aanleiding het dagelijks bestuur te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/940 WWB, 12/3831 WWB, 12/5625 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 januari 2012, 10/3380 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak

PROCESVERLOOP

Voor het procesverloop verwijst de Raad naar zijn tussenuitspraak van 24 juli 2012, LJN BX2435 (tussenuitspraak). Bij die uitspraak heeft de Raad het dagelijks bestuur opgedragen om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 31 augustus 2010 (bestreden besluit) te herstellen door het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante met inachtneming van hetgeen de Raad in de tussenuitspraak heeft overwogen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 3 september 2012 (besluit 3) aan appellante over de periode van 15 februari 2010 tot 26 januari 2011 bijstand toegekend ingevolge de Wet werk en bijstand in de vorm van een geldlening en naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 10% over de periode van 15 februari 2010 tot 2 april 2010 en een toeslag van 20% over de periode van 2 april 2010 tot 26 januari 2011. Overeenkomstig de tussenuitspraak heeft het dagelijks bestuur van de totaal aan appellante na te betalen bijstand een bedrag van € 6.000,-- afgetrokken.

Namens appellante heeft mr. B.J. Blindenbach, advocaat, bij brief van 11 september 2012 zijn zienswijze op dit besluit naar voren gebracht.

Bij brief van 20 september 2012 heeft het dagelijks bestuur op deze zienswijze gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet heeft de Raad bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar de tussenuitspraak van 24 juli 2012.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij verwijst naar de overwegingen die hij in de tussenuitspraak heeft gegeven.

2.1. Zoals in de tussenuitspraak onder 6.3.2 is overwogen dient het bestreden besluit te worden vernietigd op de daar vermelde grond. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen wordt het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en komt dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

2.2. In de tussenuitspraak is voorts onder 7.1 overwogen dat het besluit van 4 juni 2012 (besluit 2), voor zover al bevoegd genomen, ook inhoudelijk voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep tegen dit besluit zal daarom gegrond worden verklaard. Ook besluit 2 komt voor vernietiging in aanmerking.

2.3. Aangezien besluit 3 niet volledig tegemoetkomt aan de bezwaren van appellante, merkt de Raad, gelet op de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Awb, het beroep van appellante aan als mede gericht te zijn tegen dat besluit.

2.4. Appellante heeft geen zelfstandige gronden tegen het derde besluit aangevoerd. Het dagelijks bestuur heeft op juiste wijze uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak, zodat het beroep tegen het besluit 3 ongegrond moet worden verklaard.

3.1 In zijn brief van 20 september 2012 heeft het dagelijks bestuur betoogd dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig of onrechtmatig genomen is. Appellante heeft de relevante informatie, waardoor het recht op bijstand uiteindelijk kon worden vastgesteld, eerst in hoger beroep verschaft. Daarom bestaat volgens het dagelijks bestuur geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

3.2. In zijn tussenuitspraak in de overwegingen 6.3.2 en 6.3.3 heeft de Raad geoordeeld dat het dagelijks bestuur het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid door appellante tijdens de bezwaarfase onvoldoende gelegenheid te geven nadere bewijsstukken over te leggen. Daarom faalt het betoog van het dagelijks bestuur. Daar komt nog bij dat het dagelijks bestuur het bestreden besluit niet langer heeft gehandhaafd en heeft vervangen door besluit 3, zodat moet worden geconcludeerd dat appellante tegen het bestreden besluit terecht beroep en hoger beroep heeft ingesteld. Daarom bestaat aanleiding het dagelijks bestuur te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten van appellante. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten voor verleende rechtsbijstand begroot op

€ 874,-- in beroep en op € 1.092,50 in hoger beroep, met een totaal van € 1.966,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2010 gegrond;

-vernietigt dat besluit;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2012 gegrond;

-vernietigt dat besluit;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 3 september 2012 ongegrond;

-veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.966,50 te betalen aan de griffier van de Raad;

-bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.C. Oomkens

IJ