Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0670

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
11-4775 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Wajong-uitkering. Het medisch onderzoek heeft op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe beperkingen hebben aangenomen. Een verslaving aan verdovende middelen wordt op zich niet als een ziekte of gebrek aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4775 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 juni 2011, 10/3453 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 25 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren [in] 1986, heeft medio 2005 zijn Havo-diploma gehaald en heeft daarna gedurende ruime tijd arbeid in loondienst verricht. Vanaf 26 november 2008 was hij werkzaam bij McDonald’s. Hij heeft zich op 5 januari 2009 ziek gemeld waarna hem ziekengeld is toegekend. Op 18 mei 2009 heeft hij een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

2. Bij besluit van 11 februari 2010 heeft het Uwv appellant bericht dat hij niet als jonggehandicapte in de zin van de Wajong wordt beschouwd en dat daarom de door hem gevraagde uitkering niet wordt toegekend.

3. Bij besluit van 16 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 februari 2010 ongegrond verklaard.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard en hiertoe het volgende overwogen. Het medisch onderzoek heeft op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe beperkingen hebben aangenomen. Met name blijkt uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder psychische klachten die mogelijk zijn te kwalificeren als symptomen van ADHD en uit het autisme spectrum zonder dat de diagnose ADHD en/of stoornis uit het autisme spectrum van toepassing is. De door appellant in beroep overgelegde behandelingsovereenkomst heeft hij op 5 januari 2011 ondertekend, terwijl ter beoordeling is de situatie van appellant ten tijde van zijn 17-jarige leeftijd en ten tijde van het einde van zijn opleiding. De beschikbare gegevens geven geen aanleiding voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts niet kan worden gevolgd in haar reactie, namelijk dat het behandelplan op geen enkele wijze aangeeft dat het oordeel van de verzekeringsartsen niet correct is. De stellingen van appellant met betrekking tot nek- en rugklachten ontberen medische onderbouwing. De omstandigheid dat appellant niet in staat zou zijn gebleken om werk langdurig te behouden, geeft geen aanleiding om de beoordeling van de beperkingen van appellant op 17-jarige leeftijd en ten tijde van het einde van zijn opleiding door de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Het Uwv heeft dan ook terecht geconcludeerd dat bij appellant ten tijde van zijn 17-jarige leeftijd noch ten tijde van het einde van zijn opleiding sprake was van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebrek zoals bedoeld in de Wajong. Appellant is daarom op juiste gronden niet arbeidsongeschikt geacht als bedoeld in de Wajong en niet aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van die wet.

5. In hoger beroep heeft appellant de gronden van zijn beroep in essentie herhaald. Volgens appellant heeft hij vanaf zijn vroege jeugd te lijden van psychische klachten in het kader van een persoonlijkheidsstoornis. Daarbij komt dat appellant te kampen heeft met verslavingsproblematiek door middelen gebruik. Appellant heeft verder volstaan met een verwijzing naar reeds beschikbare gegevens, waaronder het behandelplan.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met juistheid geoordeeld dat appellant niet is aan te merken als jonggehandicapte in de zin van de Wajong. Appellant is dus terecht niet in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering. De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak die tot dit oordeel hebben geleid, zoals deze kort zijn weergegeven in rechtsoverweging 4, maakt deze tot de zijne en voegt hieraan nog het volgende toe.

6.2. Volgens vaste rechtspraak wordt een verslaving aan verdovende middelen op zich niet als een ziekte of gebrek aangemerkt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 januari 2008, LJN BC1551). Dit is anders als uit die verslaving gebreken voortvloeien dan wel indien die verslaving noodzaakt tot een klinische opname of behandeling. Uit de medische gegevens blijkt niet dat hiervan al sprake was toen appellant 17 jaar was (2003) dan wel ten tijde van het einde van zijn Havo opleiding medio 2005. De opname in een kliniek in Schotland vond immers pas plaats in 2009. Ook is niet gebleken van gebreken voortvloeiend uit de verslaving van appellant aan verdovende middelen rond zijn 17e en 18e levensjaar. In hoger beroep heeft appellant geen stukken ter ondersteuning van zijn standpunt ingebracht. De (enkele) omstandigheid dat appellant in die periode niet in staat zou zijn geweest om werk langdurig te behouden, maakt dit oordeel niet anders.

6.3. Uit het onder 6.1 en 6.2 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) E. Heemsbergen

NW