Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0587

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
11-1098 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een WW-uitkering. Tijdens de procedure in hoger beroep is gebleken dat appellant (ook) op 1 februari 2008 een aanvraag om toekenning van een WW-uitkering per 1 maart 2007 heeft ingediend. Nieuwe aanvraag. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Afwijzen verzoek om terug te komen van.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1098 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 januari 2011, 10/1751 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 januari 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden. Op verzoek van de Raad heeft het Uwv eveneens nadere stukken ingezonden, waarop appellant heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door G.E.L.M. de [W.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is vanaf 1 april 2001 werkzaam geweest als [naam functie] bij de gemeente Breda. Aan appellant is met toepassing van artikel 8:8 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Bredase uitwerkingsovereenkomst (CAR/BUWO) ontslag verleend per 1 maart 2007. De Raad heeft bij uitspraak van 8 oktober 2009 (LJN BK0752) geoordeeld dat er voldoende grondslag was voor een beëindiging van de dienstbetrekking met toepassing van dit artikel.

1.2. Appellant heeft op 23 november 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 18 december 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 1 maart 2007 geen recht op een WW-uitkering had.

1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 23 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellant in beginsel per 1 maart 2007 recht heeft op een WW-uitkering, welke loopt tot en met 31 december 2008, maar dat deze uitkering, gelet op artikel 35 van de WW, niet kan worden uitbetaald omdat er geen sprake was van werkloosheid die was ingetreden binnen 26 weken voor de indiening van de aanvraag.

2.1. In beroep heeft appellant aangevoerd dat hij al op 1 maart 2007 heeft verzocht om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering, maar dat het CWI het standpunt innam dat appellant niet was ontslagen en daarom met het aanvragen van een WW-uitkering moest wachten tot nadat de rechter het ontslag zou hebben beoordeeld. Na ontvangst van de uitspraak van de Raad van 8 oktober 2009 over het ontslag heeft hij, overeenkomstig de instructies van het CWI, alsnog een WW-uitkering aangevraagd. Volgens appellant heeft het CWI hem onjuist geïnformeerd en is daarom sprake van een bijzonder geval op grond waarvan zijn WW-uitkering per 1 maart 2007 moet worden uitbetaald.

2.2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de email die appellant op 27 maart 2007 heeft ontvangen van een medewerker van het CWI foutieve informatie bevat, maar dat dit appellant in ieder geval duidelijk had kunnen zijn na ontvangst van het advies van de bezwaarschriftencommissie van 4 juli 2007, waarin stond dat het ontslagbesluit van kracht bleef zolang het door de rechter niet was vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een bijzonder geval, omdat een rechtvaardiging ontbreekt voor het tijdsverloop tussen het moment waarop appellant in maart 2007 de email met foutieve informatie ontving en de indiening van de aanvraag in november 2009.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de schriftelijke stukken onmiskenbaar blijkt dat hij in de periode van 1 maart 2007 tot 23 november 2009 al het mogelijke heeft gedaan om zijn recht op WW-uitkering geëffectueerd te krijgen. Hij had er ook alle belang bij om een WW-uitkering te ontvangen, omdat hij vanaf 1 maart 2007 geen enkele bron van inkomsten had om in zijn levensonderhoud te voorzien.

3.2. Tijdens de procedure in hoger beroep is gebleken dat appellant (ook) op 1 februari 2008 een aanvraag om toekenning van een WW-uitkering per 1 maart 2007 heeft ingediend. Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat appellant niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en daarom geen recht heeft op een WW-uitkering. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit. Op grond van deze gegevens heeft het Uwv zich alsnog op het standpunt gesteld dat de aanvraag van

23 november 2009 moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 12 februari 2008. Ter zake van deze aanvraag kan volgens het Uwv niet worden gesproken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het Uwv heeft de Raad verzocht om het bestreden besluit aldus te lezen dat, na een inhoudelijke beoordeling, het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2009 ongegrond is verklaard met primair als motivering hetgeen is bepaald in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Indien en voor zover de Raad zich hiermee niet kan verenigen stelt het Uwv zich subsidiair op het standpunt dat hij op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 35 van de WW.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.2. Het Uwv heeft in hoger beroep zijn standpunt gewijzigd. Het Uwv heeft zijn gewijzigde standpunt niet neergelegd in een nieuw besluit, maar de Raad verzocht om het bestreden besluit gewijzigd te lezen. Er bestaat geen aanleiding voor inwilliging van dit verzoek, nu op grond van het gewijzigde standpunt de afwijzing van de aanvraag om WW-uitkering per

1 maart 2007 (primair) berust op een geheel andere grondslag dan in het bestreden besluit is vermeld.

4.3. Gelet op het gewijzigde standpunt van het Uwv kan het bestreden besluit niet in stand blijven. De aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, zal worden vernietigd, het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Vervolgens moet worden bezien of de zaak finaal kan worden beslecht.

4.4. Appellant heeft gesteld dat het gewijzigde standpunt van het Uwv geen gevolg heeft voor zijn gronden omdat volgens hem sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

4.5. Het besluit van 12 februari 2008 is in rechte onaantastbaar geworden. Het Uwv heeft de aanvraag van 23 november 2009 terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 12 februari 2008.

4.6. Het Uwv komt in het algemeen de bevoegdheid toe om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het Uwv, met gebruikmaking van deze bevoegdheid, de eerdere afwijzing handhaaft kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop moet hier worden uitgegaan van het oorspronkelijke besluit. De toetsing beperkt zich dan tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het Uwv daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.7. Ter onderbouwing van zijn herhaalde aanvraag heeft appellant aangevoerd dat eerst na de uitspraak van de Raad over het ontslag geen onduidelijkheid meer bestond dat hij per 1 maart 2007 was ontslagen. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De uitspraak van de Raad van 8 oktober 2009 betreft een bevestiging van de rechtmatigheid van het ontslag van appellant per 1 maart 2007.

4.8. Gelet op hetgeen in 4.5 tot en met 4.7 is overwogen zal de Raad, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en nu geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, het verzoek van om terug te komen van het besluit van 12 februari 2008 afwijzen.

5. Er is aanleiding het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage begroot op € 472,- voor kosten van rechtsbijstand. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig om onder toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb het Uwv te veroordelen in de door appellant geclaimde integrale kosten van verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 maart 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

- wijst het verzoek om terug te komen van het besluit van 12 februari 2008 af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 472,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en H. Bolt en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) J.R. Baas

JL