Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2013
Datum publicatie
05-02-2013
Zaaknummer
11-7497 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet WIA omdat appellantej minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

De Raad is van oordeel dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de beperkingen van appellante niet juist zijn weergegeven in de FML van 2 december 2009. Er zijn zowel psychische als lichamelijke beperkingen opgenomen. De stelling van appellante dat er te weinig rekening is gehouden met haar psychische klachten, kan niet worden gevolgd. Appellante heeft melding gemaakt van haar klachten en deze zijn door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv bij hun beoordeling meegewogen. Appellante heeft geen objectieve medische stukken ingediend waaruit blijkt dat zij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen. Voorts was zij op de in geding zijnde datum niet in behandeling voor haar psychische klachten. Appellante kan evenmin gevolgd worden in haar stelling dat er geen rekening is gehouden met in beroep door haar ingebrachte medische stukken. De bezwaarverzekeringsarts is in een schrijven van 11 mei 2011 ingegaan op de desbetreffende medische informatie en heeft uiteengezet waarom deze geen nieuw licht op de zaak werpt.

Appellante is per 21 juni 2012 door het Uwv volledig arbeidsongeschikt geacht. Een latere verstrekking van een WIA-uitkering betekent op zichzelf niet dat de beperkingen op een eerdere datum zijn onderschat. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de aan de schatting ten grondslag liggende functies in verzekeringsgeneeskundig opzicht passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7497 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 november 2011, 10/652 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 18 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. U. van Ophoven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

2. Op 2 november 2009 heeft appellante zich bij het Uwv gemeld in verband met toegenomen medische klachten. Bij besluit van 15 december 2009 heeft het Uwv geweigerd haar in aanmerking te brengen voor een uitkering uit de Wet WIA. Bij besluit van 25 mei 2010 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2009 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellante zich, gelijk in eerste aanleg, op het standpunt gesteld dat zij wel in aanmerking dient te worden gebracht voor een WIA-uitkering. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de voor haar geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid op juiste wijze zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Zij heeft meer beperkingen aan haar knie en rug en tevens zijn er psychische klachten. In de procedure bij de rechtbank heeft appellante een verklaring in geding gebracht waaruit blijkt dat er sprake is van spondylolisis. Hier is geen rekening mee gehouden. Tevens is er een rapport van een neuroloog in geding gebracht waaruit blijkt dat appellante een slaapstoornis heeft. Ook dit is ten onrechte niet meegenomen.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij per 21 juni 2012 volledig arbeidsongeschikt is geacht.

5.1. De Raad is van oordeel dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de beperkingen van appellante niet juist zijn weergegeven in de FML van 2 december 2009. Er zijn zowel psychische als lichamelijke beperkingen opgenomen. De stelling van appellante dat er te weinig rekening is gehouden met haar psychische klachten, kan niet worden gevolgd. Appellante heeft melding gemaakt van haar klachten en deze zijn door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv bij hun beoordeling meegewogen. Appellante heeft geen objectieve medische stukken ingediend waaruit blijkt dat zij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen. Voorts was zij op de in geding zijnde datum niet in behandeling voor haar psychische klachten. Appellante kan evenmin gevolgd worden in haar stelling dat er geen rekening is gehouden met in beroep door haar ingebrachte medische stukken. De bezwaarverzekeringsarts is in een schrijven van 11 mei 2011 ingegaan op de desbetreffende medische informatie en heeft uiteengezet waarom deze geen nieuw licht op de zaak werpt.

Appellante is per 21 juni 2012 door het Uwv volledig arbeidsongeschikt geacht. Een latere verstrekking van een WIA-uitkering betekent op zichzelf niet dat de beperkingen op een eerdere datum zijn onderschat.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de aan de schatting ten grondslag liggende functies in verzekeringsgeneeskundig opzicht passend.

6. Uit hetgeen overwogen is in 5.1 en 5.2 volgt de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2013.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) J.R. Baas

JL