Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0570

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2013
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
12-396 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid bezwaren wegens termijnoverschrijding. De stelling dat appellant wegens zijn detentie niet, althans niet tijdig, kennis heeft kunnen nemen van de besluiten die hem later in 2008 en 2009 zijn toegezonden, mist feitelijke grondslag. Deze besluiten zijn toegezonden aan de vader van appellant, die de zaken van appellant vanaf 2008 voor hem heeft waargenomen. Vastgesteld kan worden dat tegen deze besluiten - zij het te laat - actie is ondernomen op een moment dat appellant nog gedetineerd was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/396 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 december 2011, 11/81 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

Datum uitspraak 18 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J.C. Bindels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2012. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 januari 2008 (Bericht Terugbetalen 2008) heeft de Minister appellant een overzicht van zijn schuld per 1 januari 2007 en per 1 januari 2008 verstrekt en hem meegedeeld dat hij per 1 januari 2008 maandelijks € 57,97 dient terug te betalen.

1.2. Bij besluit van 9 september 2008 heeft de Minister aan de gemachtigde van appellant meegedeeld dat de namens appellant ingediende aanvraag van 11 april 2008 om verlaging van de maandelijkse aflossingstermijn buiten behandeling is gesteld, omdat niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens zijn verstrekt.

1.3. Bij brief van 6 januari 2009 heeft de Minister aan appellant meegedeeld dat hij het termijnbedrag voor oktober 2008 niet heeft betaald en dat de deurwaarder is ingeschakeld om het bedrag te innen. Voorts heeft de Minister in deze brief een overzicht verstrekt van de schuld van appellant op 1 januari 2008 en op 1 januari 2009 en hem meegedeeld dat hij vanaf 1 januari 2009 € 57,97 maandelijks dient terug te betalen.

1.4. Bij besluit van 27 december 2010 heeft de Minister de namens appellant ingediende bezwaren tegen de besluiten van 6 januari 2008, 9 september 2008 en 6 januari 2009 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 27 december 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de Minister de bezwaren tegen de onder 2 genoemde beslissingen uit 2008 en 2009 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding. Van situaties dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest.

3. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank bestreden en zich op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat appellant in Italië gedetineerd was en hij dus niet tijdig kennis kon nemen van de besluiten, althans dat de niet-tijdige kennisname hem niet kan worden verweten.

4. In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd zijn geen aanknopingspunten gelegen om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen. Dat oordeel van de rechtbank is juist. Aan de door de rechtbank gebezigde overwegingen kan worden toegevoegd dat de Minister de brief van 27 januari 2008, die (kennelijk) namens appellant aan de Minister is gezonden naar aanleiding van het besluit van 6 januari 2008, door de Minister niet behoefde te worden opgevat als bezwaarschrift tegen dat besluit. De bewoordingen in die brief bieden daarvoor geen steun. De stelling dat appellant wegens zijn detentie niet, althans niet tijdig, kennis heeft kunnen nemen van de besluiten die hem later in 2008 en 2009 zijn toegezonden, mist feitelijke grondslag. Deze besluiten zijn toegezonden aan de vader van appellant, die de zaken van appellant vanaf 2008 voor hem heeft waargenomen. Vastgesteld kan worden dat tegen deze besluiten - zij het te laat - actie is ondernomen op een moment dat appellant nog gedetineerd was.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2013.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) J.R. Baas

TM