Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0561

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2013
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
12-1232 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Bij de beoordeling van de bekendmaking van het desbetreffende besluit moet eerst worden vastgesteld welke adres het bestuursorgaan bij de verzending moet aanhouden. Nu de Minister van appellante geen adreswijziging had ontvangen mocht hij, gegeven deze wettelijke bepaling, ervan uitgaan dat ten tijde van de herzieningen in 2002 en 2003 het bij hem bekende adres het juiste adres van appellante was. Op de Minister rustte geen verplichting om voorafgaand aan de verzending van de herzieningsbesluiten een adrescontrole uit te voeren en appellante te waarschuwen dat haar woon- en GBA-adres niet overstemmen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1232 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2012, 08/1111 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

Datum uitspraak 18 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nieuwstraten. De Minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. In dit geding wordt onder de Minister tevens verstaan de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep.

1.2. Appellante heeft studiefinanciering aangevraagd met ingang van 1 november 1997. Op het aanvraagformulier dat zij daarvoor heeft ingediend heeft zij vermeld te wonen op het adres [adres 1] te [naam gemeente]. De Minister heeft appellante daarop van 1 november 1997 tot 1 januari 1998 studiefinanciering in de vorm van een basisbeurs voor een uitwonende studerende en OV-recht toegekend op grond van de Wet op de Studiefinanciering. Vanaf 1 juli 1998 is de toekenning van studiefinanciering aan appellante gecontinueerd in de vorm van een basisbeurs, rentedragende lening en OV-recht. Aan de basisbeurs is met ingang van 1 augustus 1998 een toeslag voor een éénoudergezin toegevoegd. De toekenning is beëindigd per 1 januari 2004.

1.3. Bij besluiten van 25 oktober 2002 heeft de Minister de aan appellante toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat daarvan niet langer de toeslag voor een éénoudergezin deel uitmaakt. Hetgeen te veel aan appellante is betaald is daarbij teruggevorderd. Een deel van de schuld is met de toekenning aan appellante verrekend.

1.4. Bij besluiten van 14 februari 2003 heeft de Minister de appellante toegekende studiefinanciering opnieuw herzien, thans in die zin dat appellante vanaf 1 september 2001 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Hetgeen te veel aan appellante is betaald is daarbij teruggevorderd. Een deel van de schuld is met de toekenning aan appellante verrekend.

1.5. Omdat appellante de van haar teruggevorderde bedragen niet heeft terugbetaald zijn deze omgezet in een lening. De Minister heeft appellante daarvan op de hoogte gesteld bij besluit van 8 november 2003.

1.6. Op 9 januari 2004 heeft appellante telefonisch een adreswijziging aan de Minister gemeld. Zij heeft opgegeven dat zij met ingang van deze datum woont aan de [adres 2] te [naam gemeente].

1.7. Van begin 2004 tot begin 2007 heeft de Minister appellante jaarlijks berichten gestuurd met betrekking tot de schuld uit reguliere rentedragende lening, alsmede die ten gevolge van de in 1.3 en 1.4 genoemde herzieningen. De berichten zijn gezonden naar het in 1.6 genoemde adres.

1.8. Op 6 maart 2007 is over de wijze waarop de Minister de schuld van appellante int namens appellante een klacht ingediend. De Minister heeft daarop bij brief van 21 mei 2007 gereageerd.

2.1. Op 8 juli 2008 is namens appellante bezwaar gemaakt tegen de besluiten die in de periode 23 november 2000 tot 9 januari 2004 aan appellante zijn toegezonden op het adres [adres 1] te [naam gemeente]. Daarbij is vermeld dat appellante sinds 23 november 2000 niet meer woonde op het adres [adres 1] te [naam gemeente], maar op de

[adres 2] te [naam gemeente].

2.2. De Minister heeft het namens appellante ingediende bezwaarschrift bij besluit van 14 augustus 2008 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is erop gewezen dat aan appellante diverse berichten met betrekking tot haar schuld aan de Minister zijn toegezonden op het adres waarop zij stelt vanaf 12 februari 1999 feitelijk te hebben gewoond en waarop zij zich op 23 november 2000 heeft laten inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe is - zakelijk weergegeven - overwogen dat de besluiten waartegen bezwaar is gemaakt op de juiste wijze bekend zijn gemaakt, dat bij het maken van bezwaar de daarvoor geldende termijn is overschreden, terwijl die overschrijding niet verschoonbaar is.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De hoogste bestuursrechters hanteren als uitgangspunt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

4.2.1. Bij de beoordeling van de bekendmaking van het desbetreffende besluit moet eerst worden vastgesteld welke adres het bestuursorgaan bij de verzending moet aanhouden. Bij haar aanvraag heeft appellante aan de Minister opgegeven woonachtig te zijn op het adres [adres 1] te [naam gemeente]. Niet betwist is dat appellante pas in januari 2004 haar verhuizing op 12 februari 1999 naar de [adres 2] te [naam gemeente] aan de Minister heeft opgegeven. Op grond van artikel 9.2 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) was zij echter verplicht reeds een adreswijziging op te geven toen zijn in 1999 verhuisde. Nu de Minister van appellante geen adreswijziging had ontvangen mocht hij, gegeven deze wettelijke bepaling, ervan uitgaan dat ten tijde van de herzieningen in 2002 en 2003 het bij hem bekende adres het juiste adres van appellante was. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op de rechtspraak van de Raad, zoals die onder meer blijkt uit CRvB 1 september 2009, LJN BJ7888. Het gegeven dat de Minister in de toelichting bij de vragen 1a en 1b op het aanvraagformulier vermeldt dat wordt uitgegaan van de GBA-registratie doet aan de in artikel 9.2 van de Wsf 2000 neergelegde verplichting niets af. Dat de Minister voor de uitvoering van andere wetten en voor de uitvoering van de regeling rond de reisvoorziening wel het in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerde adres gebruikt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Met juistheid heeft de rechtbank in dit verband gewezen op de uitspraak van de Raad van 19 december 2008, LJN BG8389. Appellante heeft ter zitting verklaard dat zij van de broer van haar toenmalige partner, die vanaf 2000 op appellantes oude adres woonde, nog controleformulieren van de Minister heeft ontvangen die haar op dat oude adres waren toegezonden. Zij heeft uit die toezending door de Minister kunnen en moeten afleiden dat bij de Minister - op dat moment nog steeds - haar oude adres geregistreerd stond. De verwijzing door appellante naar de rechtspraak over de toepassing van artikel 1.5 van de Wsf 2000 is in dezen niet relevant. De voorschriften voor de zogeheten dubbele verzending hebben betrekking op de in artikel 1.5 van de Wsf 2000 bedoelde “waarschuwing” en niet op de besluiten die worden genomen als er op die brieven niet wordt gereageerd. Die besluiten behoeven slechts te worden bekendgemaakt door verzending naar het opgegeven woon- of correspondentieadres. Op de Minister rustte geen verplichting om voorafgaand aan de verzending van de herzieningsbesluiten een adrescontrole uit te voeren en appellante te waarschuwen dat haar woon- en GBA-adres niet overstemmen.

4.2.2. Vastgesteld moet vervolgens worden of de - juist geadresseerde - besluiten door de Minister zijn verzonden. De Minister heeft de verzending met de overlegging van schermprints aannemelijk gemaakt.

4.2.3. De besluiten die zijn voorzien van het laatst bekende adres van appellante en die naar dat adres zijn gezonden zijn daarmee op de juiste wijze bekendgemaakt. Met de door appellante gestelde feiten is het vermoeden van ontvangst op dit adres niet ontzenuwd. De termijn om bezwaar te maken tegen deze besluiten is ter zake van al deze besluiten aangevangen na de bekendmaking.

4.2.4. De rechtbank heeft, gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.2.3, met juistheid geoordeeld dat de Minister op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het bezwaarschrift dat namens appellante is ingediend (ruim) buiten de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde termijn is verzonden, zodat het te laat is ingediend.

4.3.1. Om te beoordelen of het bezwaarschrift niettemin ontvankelijk kon worden geacht heeft de Minister terecht onderzocht of er aanleiding was de te late indiening niet aan appellante te verwijten.

4.3.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Minister in de aangevoerde feiten en omstandigheden die aanleiding niet heeft hoeven zien. Het niet (tijdig) hebben ontvangen van de aangevochten besluiten komt, nu appellante heeft nagelaten een adreswijziging op te geven, voor haar risico. Zelfs indien ervan zou worden uitgegaan dat appellante niet eerder dan uit het bericht dat haar op 9 januari 2004 is toegezonden had kunnen afleiden dat er een of meer besluiten waren genomen als gevolg waarvan de Minister een vordering van ruim € 40.000,- op haar had, dan kan worden vastgesteld dat zij niet binnen een redelijke termijn na ontvangst van deze brief een bezwaarschrift heeft ingediend, terwijl dat wel van haar mocht worden verwacht. Wat er verder ook zij van de stelling van appellante dat het bericht van 9 januari 2004 niet op rechtsgevolg is gericht, dat maakt niet dat zij naar aanleiding daarvan niet had kunnen en behoren te informeren naar de schuld die zij betwist. Ook de nadien aan appellante gestuurde berichten waarin sprake was van een schuld, en waarvan de ontvangst door appellante niet is ontkend, hebben haar kennelijk evenmin aanleiding gegeven bezwaar te maken, hoewel dat, gelet op de betwisting van de schuld, wel in de rede lag.

4.3.3. Het ontstaan van de schuld kan appellante ook anderszins moeilijk zijn ontgaan omdat zij na de herziening van 25 oktober 2002 aanzienlijk minder studiefinanciering heeft ontvangen dan in de maanden daarvoor. Waar haar immers voor de tweede helft van 2002 aanvankelijk € 957,59 per maand was toegekend, werd na de herziening nog slechts € 461,50 per maand aan haar betaald. Het aanvankelijk voor 2003 toegekende bedrag werd door de herziening verlaagd van € 998,16 naar € 479,29.

4.4. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2013.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) J.R. Baas

CVG