Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0556

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2013
Datum publicatie
05-02-2013
Zaaknummer
12-2324 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag uitkering op grond van de Wajong. Op grond van een theoretische schatting is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op minder dan 35%.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is. De medische gegevens die in beroep zijn overgelegd, waren bij het Uwv bekend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Met die gegevens is ook rekening gehouden bij het opstellen van de FML. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat in verband met de late aanvraag van de Wajong-uitkering het voor rekening en risico van appellant komt dat er niet meer gegevens beschikbaar zijn. In het geval van een dermate late aanvraag mag van appellant worden verwacht dat hij zijn stellingen met objectieve, medische stukken onderbouwt. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht is niet voldoende om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling.

Appellant heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd gericht tegen de arbeidskundige beoordeling. De rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de FML, de aan de schatting ten grondslag liggende functies in verzekeringsgeneeskundig opzicht passend zijn voor appellant. Verwezen wordt naar de overwegingen in de aangevallen uitspraak hieromtrent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2324 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 7 maart 2012, 10/694 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 18 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2012. Appellant noch zijn gemachtigde is verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is geboren [in] 1966. Hij heeft op 1 november 2009 per 6 april 1984 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd.

2. Bij besluit van 20 januari 2010 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 25 mei 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2010 ongegrond verklaard.

3. Hangende het beroep heeft het Uwv de rechtbank medegedeeld dat er alsnog een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is opgesteld en dat er arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Op grond van een theoretische schatting is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op minder dan 35%.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat pas in beroep een volledige medische en arbeidskundige beoordeling heeft plaatsgevonden. Er is geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de aan de schatting ten grondslag liggende functies in verzekeringsgeneeskundig opzicht passend. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat appellant zijn aanvraag om een Wajong-uitkering pas op 1 november 2009 heeft gedaan. Dit is een geruime tijd na de in geding zijnde data van 6 april 1983 en 6 april 1984. Dit brengt mee dat het nadeel van de omstandigheid dat de medische situatie van appellant op en na die data niet meer met zekerheid is vast te stellen, en in die zin onvermijdelijk een enigszins arbitrair karakter draagt, voor rekening en risico van appellant moet worden gebracht. De rechtbank heeft het beroep, nu eerst hangende het beroep het onderzoek naar de mate van appellants arbeidsongeschiktheid is voltooid, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens zijn bepalingen gegeven over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

5. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt dat hij wel in aanmerking hoort te komen voor een Wajong-uitkering herhaald. Appellant verwijst naar de al eerder ingediende brieven van onder andere zijn voormalig huisarts C. Schneider en chirurg F.J. Voorthuis.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is. De medische gegevens die in beroep zijn overgelegd, waren bij het Uwv bekend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Met die gegevens is ook rekening gehouden bij het opstellen van de FML. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat in verband met de late aanvraag van de Wajong-uitkering het voor rekening en risico van appellant komt dat er niet meer gegevens beschikbaar zijn. In het geval van een dermate late aanvraag mag van appellant worden verwacht dat hij zijn stellingen met objectieve, medische stukken onderbouwt. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht is niet voldoende om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling.

6.2. Appellant heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd gericht tegen de arbeidskundige beoordeling. De rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de FML, de aan de schatting ten grondslag liggende functies in verzekeringsgeneeskundig opzicht passend zijn voor appellant. Verwezen wordt naar de overwegingen in de aangevallen uitspraak hieromtrent.

7. Uit hetgeen overwogen is in 6.1 en 6.2 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2013.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) J.R. Baas

QH