Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0239

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
11-2829 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing voordracht voor toekenning van een bindingspremie. Onder meer in de Nota Financiële instrumenten werving, behoud en dibel van 25 februari 2008 is de inzet van bindingspremies -behoudens uitzonderlijke gevallen- gekoppeld aan het behoud van schaarse categorieën personeel. Daarbij is echter tevens aangegeven dat toekenning van een bindingspremie een individueel besluit is. Bepalend is, in hoeverre de individuele militair voldoet aan criteria als kennis en kunde, wijze van functioneren, schaarsheid van de kennis en kunde en kans op uitstroom. Een brede categorale toekenning van een bindingspremie wordt uitdrukkelijk van de hand gewezen. Gelet hierop heeft de commandant zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat, zelfs al zou de KCA tot een schaarse categorie personeel behoren, hieruit niet automatisch volgt dat appellant voor een bindingspremie in aanmerking komt. Verder heeft de commandant een toereikende motivering gegeven voor zijn opvatting dat de individuele omstandigheden van appellant de toekenning van zo'n premie niet rechtvaardigen. Geen toezeggingen gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2829 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 30 maart 2011, 10/1525 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Commandant Landstrijdkrachten (commandant)

Datum uitspraak: 31 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Welter hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2012. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Welter. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.P. Jellema.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in de rang van adjudant werkzaam als Klinisch Chemisch Analist (KCA) bij het Instituut Defensie Geneeskundige Opleidingen (IDGO). Bij brief van 30 september 2008 heeft de Commandant IDGO appellant voorgedragen voor toekenning van een bindingspremie met ingang van 1 januari 2008 voor een periode van drie jaar.

1.2. Bij besluit van 19 maart 2009, aan appellant bekend gemaakt op 2 april 2009, heeft de commandant deze voordracht afgewezen. Het hiertegen gerichte bezwaar van appellant is bij besluit van 27 januari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij tussenuitspraak van 23 juni 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. De rechtbank heeft de commandant in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen.

3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de commandant op 8 juli 2010 de motivering van het bestreden besluit aangevuld.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank overwoog dat de commandant de in de tussenuitspraak geconstateerde zorgvuldigheids en motiveringsgebreken afdoende heeft hersteld. Zij was voorts van oordeel dat de commandant in redelijkheid tot weigering van de bindingspremie heeft kunnen besluiten.

5. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

5.1. Bij de uitoefening van de in artikel 12 van het Inkomstenbesluit militairen (IBM) neergelegde bevoegdheid om aan een militair een bindingspremie toe te kennen, komt aan de commandant een grote mate van beleidsvrijheid toe. De rechterlijke toetsing is dienovereenkomstig terughoudend. De bindingspremie is bedoeld om tegenwicht te bieden tegen de aanzuigende kracht van de civiele arbeidsmarkt. Het belang van de defensieorganisatie staat daarbij centraal. Het is bij uitstek aan de commandant om te bepalen wanneer het dienstbelang vereist dat dit management-instrument wordt ingezet.

5.2. Onder meer in de Nota Financiële instrumenten werving, behoud en dibel van 25 februari 2008 is de inzet van bindingspremies behoudens uitzonderlijke gevallen gekoppeld aan het behoud van schaarse categorieën personeel. Daarbij is echter tevens aangegeven dat toekenning van een bindingspremie een individueel besluit is. Bepalend is, in hoeverre de individuele militair voldoet aan criteria als kennis en kunde, wijze van functioneren, schaarsheid van de kennis en kunde en kans op uitstroom. Een brede categorale toekenning van een bindingspremie wordt uitdrukkelijk van de hand gewezen.

5.3. Gelet hierop heeft de commandant zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat, zelfs al zou de KCA tot een schaarse categorie personeel behoren, hieruit niet automatisch volgt dat appellant voor een bindingspremie in aanmerking komt. Verder heeft de commandant een toereikende motivering gegeven voor zijn opvatting dat de individuele omstandigheden van appellant de toekenning van zo'n premie niet rechtvaardigen. De commandant heeft overwogen dat een eventueel vertrek van appellant uit de defensieorganisatie geen onaanvaardbare nadelige gevolgen zou hebben voor de bedrijfsvoering. Deze inschatting van het dienstbelang is niet onhoudbaar. De andersluidende opvatting van appellants leidinggevende bij het IDGO legt onvoldoende gewicht in de schaal. Het gaat hier om de personeelssituatie binnen de defensieorganisatie in haar geheel. Ook de zienswijze van de commandant dat de kans op uitstroom bij appellant betrekkelijk gering is, kan niet als onjuist worden bestempeld. De commandant mocht daarbij in aanmerking nemen dat appellant op 1 juni 2016 met functioneel leeftijdsontslag zou mogen gaan en dat hij door eerder te vertrekken dit voordeel zou verspelen. Anders dan appellant betoogt, is hierin geen verboden onderscheid naar leeftijd gelegen. Het gaat de commandant niet om het rendement dat appellant nog voor de organisatie kan opleveren, maar om een individueel vooruitzicht in de huidige functie dat puur feitelijk de kans op uitstroom vermindert. Het beroep van appellant op het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling van 1 juli 2010, 2010-99, gaat reeds hierom niet op.

5.4. Van rechtens door de commandant te honoreren toezeggingen is niet gebleken. De voordracht door de Commandant IDGO kan niet als zodanig worden aangemerkt. Appellant heeft kunnen en moeten begrijpen dat de beslissingsbevoegdheid niet op het niveau van het IDGO berust.

5.5. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, zal worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en R. Kooper en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2013.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) S.K. Dekker