Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
11-4958 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op andere gronden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het zonder toestemming verplaatsen van de STW-aanvraag en het onderzoek naar de foetale bloeddrukmeter voldoende reden vormt om aan te nemen dat de arbeidsrelatie onherstelbaar is beschadigd. De ontstane vertrouwensbreuk en het voortbestaan ervan waren dermate voorspelbaar en de breuk dermate ingrijpend dat van de raad van bestuur geen inspanningen meer behoefden te worden verwacht om de arbeidsverhouding te herstellen. Geen grond voor het oordeel dat de onvoldoende is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4958 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 12 juli 2011, 10/81 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

[Raad van Bestuur]

Datum uitspraak: 31 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.G.J. Horlings hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Horlings. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.G.B. Coonen-ter Braak, prof. dr. E.A.P. Steegers en prof. dr. Th.J.M. Helmerhorst

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1 juni 1974 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) [D.], eerst als elektronisch ontwerper, later als hoger röntgentechnicus. Hij is op 13 december 2006 gepromoveerd. In het kader van zijn aanstelling als senior wetenschappelijk medewerker per 1 januari 2007 zijn op 1 maart 2007 nieuwe werkafspraken gemaakt. Deze afspraken houden in dat appellant zich voor 50% van zijn werktijd bezig gaat houden met de STW-aanvraag inzake de ontwikkeling van een foetale bloeddrukmeter. De overige 50% wordt in overleg met [F.] besteed.

1.2. Met ingang van 1 augustus 2007 heeft appellant een deeltijdaanstelling voor 18 uur per week aanvaard bij het [E.] en is zijn werktijd bij het [D.] tot 18 uur per week teruggebracht. Op 19 november 2007 heeft appellant in een gesprek met [F.] en [G.] te kennen gegeven dat hij de STW-aanvraag en het onderzoek naar de ontwikkeling van een foetale bloeddrukmeter gaat verplaatsen naar het [E.]. Tijdens dit gesprek heeft [F.] aangegeven dit niet acceptabel te vinden. [G.] heeft het gesptrek verlaten. Bij e-mail van 8 januari 2008 heeft appellant [F.] medegedeeld dat hij, omdat het niet mogelijk is gebleken de STW-aanvraag binnen het [D.] de deur uit te krijgen, hieraan binnen het [E.] verder zal gaan werken binnen zijn 50% aanstelling aldaar. Bij toekenning van de STW-subsidie zal hij ontslag nemen bij het [D.].

1.3. Bij brief van 10 september 2008 vraagt appellant aandacht voor de kwestie rondom enkele promovendi die zich belemmerd voelen door hun copromotor en promotor. Op 13 oktober 2008 wordt aan appellant voor de duur van vier weken buitengewoon verlof verleend wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Er wordt een mediationtraject gestart en het buitengewoon verlof wordt bij besluit van 4 december 2008 verlengd. Het mediationtraject leidt echter niet tot een oplossing. Bij besluit van 13 maart 2009 wordt het buitengewoon verlof verlengd voor onbepaalde tijd.

1.4. Op 27 april 2009 wordt met toepassing van artikel 12.12, eerste lid, van de CAO Universitair Medische Centra (CAO UMC) een voornemen tot ontslag op andere gronden geuit wegens onherstelbaar verstoorde arbeidsverhoudingen tussen appellant en zijn leidinggevenden van de afdeling Verloskunde en Vrouwenziekten en het [D.]. Daarbij is aangegeven dat appellant zijn functie volledig heeft uitgehold door zijn onderzoeksopdracht zonder voorafgaand overleg te verplaatsen naar zijn andere werkgever.

Voorts staan de persoonlijkheid en gedrag van appellant een soepele samenwerking met zijn leidinggevenden regelmatig in de weg en heeft hij zelf aangegeven omstreeks 1 januari 2009 zijn aanstelling te willen beëindigen. Het voornemen tot ontslag op andere gronden is bij besluit van 16 juni 2009 met ingang van 1 september 2009 geëffectueerd. In dit besluit is tevens bepaald dat het buitengewoon verlof tot aan de ontslagdatum zal worden gecontinueerd.

1.5. Bij besluit van 7 december 2009 (bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellant tegen de besluiten inzake het buitengewoon verlof en het besluit van 16 juni 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking heeft op de verlening dan wel verlenging van het buitengewoon verlof. Voor het overige is het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant uitsluitend het ontslag bestreden. Hij heeft onder meer aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft gesteld dat de raad van bestuur een discretionaire bevoegdheid heeft ten aanzien van artikel 12.12 van de CAO UMC. Er is geen voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat de arbeidsverhouding zodanig verstoord is dat ontslag moest volgen. Appellant is van mening dat de STW-aanvraag door het stilzitten van het [D.] in een impasse terecht was gekomen. Om die reden heeft hij kenbaar gemaakt dat hij het onderzoek en de STW-aanvraag naar het [E.] wilde verplaatsen. Ten aanzien van de gedane investeringen merkt appellant op dat het eerste deel van zijn promotieonderzoek is bekostigd door Amerikaanse overheidssubsidies en het tweede deel door de universiteit van Utah. De aangeschafte apparatuur is ook voor andere doeleinden te gebruiken en de promotie heeft het [D.] ook geld opgeleverd. Appellant betwist bovendien dat er regelmatig sprake is geweest van wrijvingen en botsingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank is in haar oordeelsvorming terecht nagegaan of de raad van bestuur ten tijde van het ontslagbesluit over voldoende feitelijke grondslag beschikte om appellant met toepassing van artikel 12.12 van de CAO UMC op andere gronden te kunnen ontslaan.

4.2. Ook in hoger beroep heeft de raad van bestuur nadrukkelijk gesteld dat de brief van appellant van 10 september 2008 inzake de promovendi niet aan het ontslag ten grondslag is gelegd. De Raad stelt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat de raad van bestuur de feitelijke grondslag van het ontslag primair ziet liggen in de verplaatsing van de STW-aanvraag en het onderzoek ten behoeve van de foetale bloeddrukmeter naar het [E.]. Als gevolg hiervan wordt appellant een ernstig gebrek aan loyaliteit, het schaden van vertrouwen en een uitholling van zijn taken binnen het [D.] verweten.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant met het verplaatsen van de STW-aanvraag en het onderzoek heeft gehandeld in strijd met de afspraken van 1 maart 2007. In die afspraken, die zijn gemaakt in het kader van appellants nieuwe functie van senior wetenschappelijk medewerker, is immers opgenomen dat appellant zich binnen de afdeling Verloskunde en Vrouwenziekten bezig zal gaan houden met de STW-aanvraag betreffende de ontwikkeling van een foetale bloeddrukmeter. Voorts is afgesproken: “Indien een “0.5” betrekking kan worden gevonden buiten het [D.] zal de afdeling V&V daar in principe mee akkoord gaan. De resterende aanstelling alhier zal dan zijn gericht op de uitwerking van de STW-aanvraag en bij honorering op de ontwikkeling van de foetale bloeddrukmeter in samenwerking met collega [G.]”. Op geen enkele wijze is gebleken dat appellant in afwijking van deze afspraken toestemming heeft gekregen - of zelfs maar gevraagd - om de STW-aanvraag en het onderzoek te verplaatsen naar zijn andere werkgever. Dat de STW-aanvraag uitsluitend door het stilzitten van het [D.] in een impasse terecht is gekomen is geenszins gebleken. Daarbij zij opgemerkt dat van appellant, gelet op zijn nieuwe positie als senior wetenschappelijk medewerker, een pro-actieve en oplossingsgerichte houding verwacht mocht worden. Daaraan heeft het appellant ontbroken. Hij is er kennelijk zonder meer van uitgegaan dat de oplossing slechts was te vinden in het verplaatsen van de STW-aanvraag naar zijn andere werkgever. Daarmee heeft hij het belang van het [D.] bij het onderzoek en de aanvraag ernstig miskend.

4.4. Met betrekking tot het standpunt van appellant dat geen sprake is van een impasse en dat de raad van bestuur had moeten bezien of de arbeidsrelatie kon worden voortgezet, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het zonder toestemming verplaatsen van de STW-aanvraag en het onderzoek naar de foetale bloeddrukmeter voldoende reden vormt om aan te nemen dat de arbeidsrelatie onherstelbaar is beschadigd. De ontstane vertrouwensbreuk en het voortbestaan ervan waren dermate voorspelbaar en de breuk dermate ingrijpend dat van de raad van bestuur geen inspanningen meer behoefden te worden verwacht om de arbeidsverhouding te herstellen. Daarbij is nog van belang dat uit de stukken blijkt dat appellant meerdere malen heeft aangegeven volledig ontslag te willen nemen bij het [D.].

4.5. De raad van bestuur was dan ook bevoegd om appellant op grond van artikel 12.12 van de CAO UMC te ontslaan. Deze bevoegdheid is, anders dan appellant heeft betoogd, discretionair van aard. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die leiden tot het oordeel dat het bestuur niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Voor een ambtenaar die op voornoemde grond wordt ontslagen dient de raad van bestuur ingevolge artikel 12.12, derde lid, van de CAO UMC een regeling te treffen ter hoogte van minimaal de som van een uitkering krachtens de WW en de BWUMC. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 9 december 2010, LJN BO8173 en TAR 2011, 93) kan de Raad slechts tot het oordeel komen dat een dergelijke uitkeringsregeling onvoldoende is, indien zou komen vast te staan dat de raad van bestuur een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse die tot het ontslag heeft geleid. Voor een dergelijk oordeel bestaat in dit geval geen aanleiding.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en R. Kooper en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2013.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) S.K. Dekker