Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0234

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
12-561 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand met terugwerkende kracht in verband met inkomsten. Terugvordering. Ten onrechte is de tegemoetkoming studiekosten bij de verdiensten van de dochter is opgeteld. Dagelijks bestuur heeft voldaan aan onderzoeksplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/561 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 december 2011, 10/984 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 29 januari 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2012. Appellant is verschenen. Tevens is verschenen en gehoord de door appellant meegebrachte getuige, zijn dochter [C.]. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Roemers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt samen met zijn echtgenote bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Hun jongste dochter [C.] is op [datum] 18 jaar geworden. Zij heeft vanaf 1 april 2008 tot 1 september 2008, omdat zij nog naar school ging, een tegemoetkoming ontvangen op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Vanaf 1 september 2008 ontving zij studiefinanciëring op grond van de Wet studiefinanciëring 2000.

1.2. Uit onderzoek bij Suwinet is gebleken dat [C.] vanaf 1 augustus 2007 inkomsten uit arbeid had. Niet in geschil is dat op de bijstand een korting diende te worden toegepast van 10% wanneer het inkomen uit arbeid van een meerderjarig inwonend, studerend kind de norm van € 423,92 netto per maand oversteeg.

1.3. Nadat het dagelijks bestuur naar aanleiding van de gegevens van Suwinet in januari 2009 de loonstrookjes van [C.] over de maanden februari 2008 tot en met augustus 2008 van haar toenmalige werkgeefster had ontvangen, heeft het dagelijks bestuur vastgesteld dat het netto totaal inkomen van [C.] in de maanden april, mei, juni, augustus en september 2008 de norm van € 423,92 had overschreden. Bij besluit van 23 februari 2009 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant en zijn echtgenote over de periodes van 1 april 2008 tot en met 30 juni 2008 en van 1 augustus 2008 tot en met 30 september 2008 herzien en verlaagd met 10%. Het dagelijks bestuur heeft voorts de in die periodes als gevolg hiervan teveel betaalde bijstand van € 615,13 teruggevorderd.

1.4. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Hij stelde onder meer dat de loonstrookjes van [C.] door haar werkgeefster frauduleus waren opgesteld, aangezien een bij het bezwaarschrift gevoegde, door [C.] zelf samengestelde lijst van gewerkte uren in de betreffende maanden liet zien dat door haar beduidend minder uren gewerkt waren en daarom ook minder verdiend was dan op de loonstrookjes was vermeld. Tevens was bijgevoegd een kopie van een boekingsoverzicht van een vliegreis naar en van India waaruit volgens appellant bleek dat [C.] in augustus 2008 te lang op vakantie was geweest om het aantal door de werkgeefster op de loonstrook vermelde dagen gewerkt te kunnen hebben.

1.5. Bij besluit van 1 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant ongegrond verklaard op de grond dat de loonstrookjes van [C.] geacht werden te zijn verstrekt uit een deugdelijke salarisadministratie en overeenstemden met de van Suwinet en de Belastingdienst verkregen gegevens.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit - met bepaling over de vergoeding van griffierecht - gegrond verklaard voor zover daarin de bijstand over de maand september 2008 is herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die maand zijn teruggevorderd. Daartoe is overwogen dat de Raad in zijn uitspraak van 17 april 2007, LJN BA5045, heeft bepaald dat van een volwassen, niet in de gezinsbijstand inbegrepen, inwonend en studerend kind met inkomen uit een studiebeurs en een rentedragende studielening geen bijdrage in de woonkosten kan worden gevergd. Van de verdiensten uit arbeid in die maand had de werkgever bovendien geen loonstrookje overgelegd. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard op de grond dat onvoldoende onderbouwd was, ook niet met het overgelegde boekingsoverzicht, dat de loonstrookjes frauduleus zijn en een onjuist beeld zouden geven van de verdiensten.

3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de werkgever van [C.] frauduleuze loonstrookjes heeft verstrekt. Hij vindt het onbegrijpelijk dat zijn dochter niet wordt geloofd en een frauderende werkgever wel, terwijl uit het overgelegde boekingsoverzicht blijkt dat het loonstrookje van augustus 2008 in elk geval niet kan kloppen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting desgevraagd medegedeeld dat, in het licht van de onder 2 genoemde uitspraak, ten onrechte de tegemoetkoming studiekosten bij de verdiensten van [C.] is opgeteld. Hiervan uitgaande heeft het dagelijks bestuur geconstateerd dat [C.] in de maand augustus 2008 minder heeft verdiend dan de norm van € 423,92. De korting op de bijstand over de maand augustus 2008 wordt daarom niet gehandhaafd door het dagelijks bestuur.

4.2. Appellant betwist niet dat [C.] werkzaamheden heeft verricht, maar hij bestrijdt de hoogte van de door de werkgever opgegeven verdiensten. Ter zitting heeft [C.] verklaard dat het aantal op de loonstrookjes van de werkgever vermelde gewerkte uren werd opgehoogd om andere werknemers zwart te kunnen uitbetalen en toch de loonadministratie kloppend te houden. De getuigenverklaring van [C.] is, wat daar verder ook van zij, in dit verband onvoldoende omdat er geen concrete, objectieve en verifieerbare gegevens ter ondersteuning zijn ingebracht. Aan het door appellant overgelegde boekingsoverzicht van de door [C.] geboekte reis naar India in juli en augustus 2008 kan niet het gewicht worden toegekend dat appellant daaraan toegekend wil zien. Uit dit overzicht blijkt dat [C.] een substantieel deel van augustus op vakantie is geweest. Wanneer zij op 21 augustus 2008 terug gekomen is, heeft zij, aldus appellant, niet nog twaalf dagen kunnen werken in die maand, zoals vermeld op het loonstrookje van die maand. Het is echter niet uit te sluiten dat op het loonstrookje onder gewerkte dagen ook doorbetaalde vakantiedagen zijn begrepen.

4.3. Een besluit tot herziening van bijstand met terugwerkende kracht is een voor de bijstandsgerechtigde belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. In de situatie dat een bestuursorgaan van de Belastingdienst informatie ontvangt over door een belanghebbende genoten inkomsten en die gegevens worden bevestigd door de werkgever, heeft het bestuursorgaan in voldoende mate aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. Gelet hierop en het hiervoor onder 4.2 gestelde mocht het dagelijks bestuur bij het bepalen van de hoogte van de verdiensten van [C.] uitgaan van de opgave van de werkgever. Dat de werkgever contant uitbetaalde en de loonstrookjes niet onmiddellijk verstrekte is destijds geaccepteerd door [C.] en in een later stadium niet door haar aangevochten. Dit kan daarom het dagelijks bestuur niet tegengeworpen worden.

4.4. Ter zitting van de Raad heeft appellant te kennen gegeven dat hij graag gezien zou hebben dat de Raad de (ex-)werkgever van [C.] als getuige zou horen. Gelet op het late moment waarop dit verzoek is gedaan en bij gebreke van andersoortige gegevens dan de enkele verklaring van [C.], wordt dit verzoek afgewezen.

4.5. Uit 4.1 vloeit voort dat het hoger beroep van appellant ten dele slaagt. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen, behalve de beslissing over het griffierecht. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij de bijstand is herzien over de maanden augustus 2008 en september 2008, het besluit van 23 februari 2009 in zoverre herroepen en bepalen dat in zoverre deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Omdat een terugvorderingbesluit ondeelbaar is, zal het bestreden besluit, voor zover het de terugvordering betreft, in zijn geheel worden vernietigd. Het dagelijks bestuur zal worden opgedragen voor dit deel van het vernietigde besluit een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Aangezien het hier slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen discussie zal opleveren, wordt afgezien van het doen van een tussenuitspraak.

5. Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten die appellant voor dit hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten worden bepaald op € 10,76 aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissing over het griffierecht;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 februari 2010 voor zover daarbij

de bijstand over de maanden augustus en september 2008 is herzien, herroept het besluit van

23 februari 2009 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dit

- vernietigde gedeelte van het besluit van 1 februari 2010;

- vernietigt het besluit van 1 februari 2010 voor wat betreft de gehele terugvordering en draagt

het dagelijks bestuur op in zoverre een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van

23 februari 2009 te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een

bedrag van € 10,76;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 112,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) V.C. Hartkamp