Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0118

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
12-5957 WIJ-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening. Voldoende spoedeisend belang. Nu verzoeker geen toereikende onderbouwing heeft gegeven voor de gestelde besteding van het in het bestreden besluit genoemde bedrag van € 114.000,-, moet worden geoordeeld dat vooralsnog het recht op uitkering niet is vast te stellen. De voorzieningenrechter acht het dan ook niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep en het bestreden besluit niet in stand zullen blijven. Afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5957 WIJ-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.

Partijen:

[A. te B.] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

Datum uitspraak: 28 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 26 september 2012, 12/661 (aangevallen uitspraak), en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Schyns en vergezeld door [D.], de partner van verzoeker (partner). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F.M. Brouns.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Op 6 januari 2005 is verzoeker bij een verkeersongeval gewond geraakt. Op 31 maart 2009 is een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen op basis waarvan verzoeker aanspraak heeft gekregen op € 281.045,16 aan schadevergoeding, waarvan € 30.000,- ten titel van immateriële schade inclusief wettelijke rente, € 214.323,- ten titel van verlies aan verdienvermogen en het restant ten titel van overige materiële schade. Voorts is overeengekomen dat onder aftrek van de reeds verstrekte voorschotten de slotuitkering van € 230.000,- wordt overgemaakt op een bankrekening van verzoeker.

1.2. Na een periode waarin verzoeker en zijn partner werkzaamheden in loondienst hebben verricht, hebben zij op 3 november 2011 een aanvraag om een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) ingediend. Bij besluit van 21 december 2011 (primaire besluit) heeft het college die aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat verzoeker en zijn partner geen nadere gegevens hebben verstrekt over besteding van

€ 165.824,77 aan ontvangen schadevergoeding.

1.3. Bij besluit van 5 april 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat verzoeker en zijn partner op geen enkele wijze duidelijkheid hebben verschaft waaraan een bedrag van ten minste € 114.000,- in een periode van minder dan drie jaar zou zijn besteed en dat dit in de weg staat aan een recht op de WIJ. Daarbij heeft het college buiten aanmerking gelaten de immateriële schadevergoeding van € 30.000,-, de intering van het vermogen met een bedrag van € 65.000,- besteed aan kosten van levensonderhoud, € 56.000,- aan eigen geld ter financiering van de aankoop van de woning en € 16.000,- aan verantwoorde kosten van verbouwing van die woning.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het college bij het primaire besluit de aanvraag weliswaar onder toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling heeft gelaten, maar dat bij het bestreden besluit een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag heeft plaatsgevonden. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het college heeft mogen concluderen dat verantwoording ontbreekt voor een groot deel van de aan verzoeker toegekende materiële schadevergoeding en dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat daardoor het recht op uitkering over de periode van 3 november 2011 tot 5 april 2012, de datum van het bestreden besluit, niet is vast te stellen.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij is van mening dat hij de besteding van het volledige bedrag aan schadevergoeding van € 281.045,16, inclusief het in het bestreden besluit genoemde bedrag van € 114.000,- heeft verantwoord. Volgens verzoeker heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden met twee geldleningen van in totaal € 14.500,-, de kosten van de buikwandcorrectie van zijn partner van € 5.000,-, de geleden schade als gevolg van de woninginbraak van in totaal € 25.000,- en de aankoop van een auto voor € 10.000,-. Verder heeft het college verzuimd rekening te houden met de aankoop van twee scooters voor € 4.400,-, de dubbele woonlasten over een periode van zes maanden, ter zitting geschat op € 10.000,-, het zwart betaalde loon van ten minste € 25.000,- aan de twee inschakelde klussers en de omstandigheid dat hij met zijn gezin goed heeft geleefd van de ontvangen schadevergoeding, dat wil zeggen boven de bijstandsnorm. Verzoeker onderstreept dat de ontvangen schadevergoeding volledig is opgesoupeerd en dat hij met zijn gezin al geruime tijd in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij kan mede de vraag aan de orde komen of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak en het besluit op bezwaar niet in stand zullen kunnen blijven.

4.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.3. De voorzieningenrechter is, mede gelet op de behandeling ter zitting, van oordeel dat in de situatie van verzoeker voldoende spoedeisend belang aanwezig is.

4.4. Zoals besproken ter zitting, is tussen partijen niet in geschil dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit, in afwijking van het primaire besluit, een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag betreft, dat de beoordelingsperiode loopt van 3 november 2011 tot 5 april 2012 en dat in geding is of verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de beoordelingsperiode niet beschikte over financiële middelen om in de kosten van levensonderhoud te voorzien.

4.5. Een besluit omtrent een inkomensvoorziening genomen naar aanleiding van een aanvraag om een werkleeraanbod, is een voor de aanvrager begunstigend besluit. Het ligt in het algemeen dan ook op de weg van die aanvrager om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het toekennen van die inkomensvoorziening is voldaan. In dat kader dient de belanghebbende de voor de beoordeling van het recht op een inkomensvoorziening benodigde gegevens te verschaffen. Voor de beoordeling van het recht op de inkomensvoorziening is als regel noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie in de aan de aanvraag om een werkleeraanbod voorafgaande periode. Het college moet ingevolge artikel 24, eerste lid, van de WIJ onder meer vaststellen of de jongere ten tijde van de aanvraag om een werkleeraanbod in aanmerking te nemen vermogen heeft.

4.6. Het college heeft zich, blijkens het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat het op de weg van verzoeker ligt om aannemelijk te maken dat een bedrag van € 114.000,- is besteed. De voorzieningenrechter kan het standpunt van verzoeker dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat het volledige bedrag aan ontvangen schadevergoeding en daarom ook het bedrag van € 114.000,- is besteed, niet onderschrijven. Zo heeft verzoeker niet aan de hand van bankafschriften aannemelijk gemaakt dat, en wanneer, de verstrekte slotuitkering van € 230.000,- is opgenomen. Voorts heeft verzoeker, behoudens twee handgeschreven verklaringen over de beide gestelde geldleningen, geen enkel bewijs geleverd van de in rechtsoverweging 3 genoemde bedragen aan gestelde uitgaven. Het aanbod van verzoeker om, onder voorwaarden, de namen van de twee klussers prijs te geven, miskent dat het op de weg van verzoeker ligt de gestelde besteding van ten minste € 25.000,- aannemelijk te maken. De overgelegde foto’s van verbouwingswerkzaamheden zijn daartoe niet toereikend. Verzoeker heeft ook niet, zoals ter zitting aangevoerd, aan de hand van een medische verklaring aannemelijk gemaakt dat hij vanwege lichamelijke en psychische problemen, mede als gevolg van het verkeersongeval, niet in staat was om uitgaven te verantwoorden. Gelet op de omvang van het bedrag aan toegekende vergoeding voor materiële schade, waaronder in het bijzonder voor inkomensderving en de periode van nog geen drie jaar die sinds de betaling van de slotuitkering is verstreken ligt het op de weg van verzoeker om aannemelijk te maken dat hij ten tijde hier van belang niet langer beschikte over financiële middelen om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Nu verzoeker geen toereikende onderbouwing heeft gegeven voor de gestelde besteding van het in het bestreden besluit genoemde bedrag van € 114.000,-, moet worden geoordeeld dat vooralsnog het recht op uitkering niet is vast te stellen.

4.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de voorzieningenrechter het dan ook niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep en het bestreden besluit niet in stand zullen blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening komt daarom niet voor inwilliging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) M.R. Schuurman