Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0113

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
11-1550 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Afwijzing aanvraag om aanvullende bijstand. De Raad stelt vast dat de gronden van het hoger beroep zich niet richten tegen de in de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen van de rechtbank. Hetgeen appellante met haar hoger beroep wenst te bereiken kan derhalve in onderhavige procedure niet worden bereikt. 2) Afwijzing aanvraag om schadevergoeding ontstaan door de door het college afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen. 3) Afwijzing verzoek om immateriële schadevergoeding. 4) Afwijzing aanvraag om aanvullende bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag. In hetgeen door appellante is aangevoerd kan geen bijzondere omstandigheid gelegen zijn om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. 5) Afwijzing verzoek om aanvullende bijstand ter hoogte van de door het college afgedragen loonheffingen. De bijstand betreft een netto uitkering en de bijstandsgerechtigde kan geen aanspraak maken op verhoging van de netto bijstand met de door de gemeente af te dragen loonheffingen en premies Zvw. 6) Afwijzing aanvraag voor een vergoeding van onkosten tot een bedrag van € 640,-- in verband met foutieve handelingen en onzorgvuldig werk van het college. In het geval van appellante is niet gebleken van besluiten die, voor wat betreft de wijze van totstandkoming dan wel naar hun inhoud, onrechtmatig zijn. De Raad stelt - onder verwijzing naar overweging 3.5.7 - vast dat de schade die appellante stelt te hebben geleden niet het gevolg is van onrechtmatige besluitvorming van het college. Dit betekent dat de door appellante gevorderde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1550 WWB, 11/6489 WWB, 11/6544 WWB, 11/6545 WWB, 11/6546 WWB, 11/6547 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Alkmaar van 27 januari 2011, 10/35 (aangevallen uitspraak 1) en de uitspraken van 29 september 2011, 10/2657 (aangevallen uitspraak 2), 10/2867 (aangevallen uitspraak 3), 10/2679 (aangevallen uitspraak 4), 10/2709 (aangevallen uitspraak 5) en 11/1426 (aangevallen uitspraak 6)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

Datum uitspraak: 23 januari 2013

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroepen ingesteld tegen de aangevallen uitspraken en nadere stukken ingediend.

Het college heeft verweerschriften ingediend en desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 21 november 2012. Partijen zijn opgeroepen om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Zaak 11/1550 WWB

1.1. Appellante ontvangt met ingang van 11 november 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In de loop van de jaren heeft appellante voor verschillende kosten algemene en bijzondere bijstand ontvangen, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante heeft in verband hiermee jaaropgaven ontvangen van het college. Daarin is de verstrekte belaste bijstand, vermeerderd met de afgedragen loonheffing en premies, weergegeven in de kolom ‘fiscaal loon’ en voorts de door het college afgedragen loonheffing en premie Ziekenfondswet (Zfw)/Zorgverzekeringswet (Zvw).

1.2. Op 3 augustus 2009 heeft appellante een aanvraag bij het college ingediend om met ingang van 1 januari 2009 in aanmerking te komen voor aanvullende bijstand op grond van de WWB. Bij besluit van 31 augustus 2009 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat het netto inkomen uit de WAO voor appellante op jaarbasis hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Bij de berekening hiervan heeft het college als uitgangspunt genomen de maandelijks aan appellante verstrekte WAO-uitkering vermeerderd met de in mei 2009 aan haar uitbetaalde vakantietoeslag.

1.3. Bij besluit van 11 november 2009 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 augustus 2009 ongegrond verklaard.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Aan de instandlating van de rechtsgevolgen heeft de rechtbank, samengevat, ten grondslag gelegd dat uitgaande van een forfaitair vastgestelde aanspraak op vakantietoeslag op grond van artikel 12 van de Regeling WWB en WIJ, het inkomen van appellante per 1 januari 2009 hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm.

Zaak 11/6489 WWB

1.5. Op 10 april 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een onkostenvergoeding tot een bedrag van € 3.155,--. Het betreffen kosten die appellante vanaf 2005 heeft gemaakt in verband met de door haar gevoerde procedures tegen het college.

1.6. Het college heeft het verzoek van appellante opgevat als een aanvraag om bijzondere bijstand en deze aanvraag bij besluit van 23 juni 2010 afgewezen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het merendeel van de kosten meer dan een jaar geleden gemaakt zijn en op die grond ingevolge het ter zake gevoerde beleid niet voor bijstandsverlening in aanmerking komen.

1.7. Bij besluit van 16 september 2010 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2010 - onder wijziging van de grondslag - ongegrond verklaard. Het college heeft de aanvraag na heroverweging aangemerkt als een aanvraag om schadevergoeding tot een bedrag van € 3.601,-- ontstaan door de door het college afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen (loonheffingen). Het college heeft dit verzoek vervolgens afgewezen op de grond dat dit bedrag niet op de aan appellante verleende bijstand is ingehouden en dat derhalve niet gebleken is van enige schade.

1.8. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juni 2010 niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar heeft de rechtbank overwogen dat in een beroepsprocedure bij de bestuursrechter slechts aan de orde kan komen schade die wordt geleden als gevolg van handelen dat zelf ook vatbaar was voor beroep bij de bestuursrechter. De door appellante gestelde schadeoorzaken laten zich naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren als beweerdelijk onjuist uitvoeren door het college van de wetgeving inzake de financiering van de werknemers-/volksverzekeringen en de belastingwetgeving, hetgeen moet worden aangemerkt als feitelijk handelen. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding connexiteit ontbeert met een besluit tot beoordeling waarvan de bestuursrechter bevoegd zou zijn, zodat tegen de afwijzende beslissing van het college op de aanvraag van appellante om schadevergoeding geen bezwaar of beroep mogelijk is.

Zaak 11/6544 WWB

1.9. Op 12 juni 2010 heeft appellante een verzoek om immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 5.000,-- ingediend ter compensatie van spanning en frustratie als gevolg van de onzorgvuldige werkwijze van het college. Bij besluit van 22 juni 2010, welk besluit is gehandhaafd bij besluit van 4 oktober 2010 (bestreden besluit 3), heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat de schade die appellante stelt te hebben geleden het gevolg is van onrechtmatige besluitvorming van het college.

1.10. Bij de aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 3 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 juni 2010 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen - evenals in de aangevallen uitspraak 2 - dat het verzoek om schadevergoeding connexiteit ontbeert met een besluit tot beoordeling waarvan de bestuursrechter bevoegd zou zijn, zodat tegen de afwijzende beslissing van het college op de aanvraag van appellante om schadevergoeding geen bezwaar of beroep mogelijk is.

Zaak 11/6545 WWB

1.11. Op 14 juni 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend, waarbij zij heeft verzocht om aanvullende bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag over de periode van 1 juli 2005 tot en met 1 december 2008. Bij besluit van 22 juni 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen, op de grond dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 44 van de WWB die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Volledigheidshalve is appellante gewezen op de overweging in het besluit van 13 (lees: 31) augustus 2009 (zaak 11/1550), waarbij haar aanvraag om aanvullende bijstand is afgewezen.

1.12. Bij besluit van 16 september 2010 (bestreden besluit 4) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 juni 2010 ongegrond verklaard.

1.13. Bij de aangevallen uitspraak 4 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 4 ongegrond verklaard.

Zaak 11/6546 WWB

1.14. Op 23 juni 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend om aanvullende bijstand ter hoogte van de door het college afgedragen loonheffingen in de jaren 2001 tot en met 2005 tot een bedrag van € 1.260,--. Bij besluit van 14 juli 2010, welk besluit is gehandhaafd bij besluit van 27 september 2010 (bestreden besluit 5), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat het college op grond van de belasting- en de sociale verzekeringswetgeving verplicht is over belaste bijstandsuitkeringen loonheffingen af te dragen. Voor het geval het college teveel belasting/premies heeft afgedragen, hetgeen door het college wordt betwist, dient dit te leiden tot restitutie aan het college en niet aan appellante.

1.15. Bij de aangevallen uitspraak 5 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 5 ongegrond verklaard.

Zaak 11/6547 WWB

1.16. Op 18 december 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een vergoeding van onkosten tot een bedrag van € 640,-- in verband met foutieve handelingen en onzorgvuldig werk van het college. Bij besluit van 20 januari 2011 heeft het college de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 27 april 2011 (bestreden besluit 6) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2011 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan.

1.17. Bij de aangevallen uitspraak 6 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 6 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2011 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat uit de gedingstukken genoegzaam blijkt dat appellante een verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 640,-- bij het college heeft ingediend en dat het college dit verzoek ten onrechte heeft aangemerkt als een aanvraag om bijzondere bijstand. Om die reden komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust en voor vernietiging in aanmerking komt. Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2011 volgt de rechtbank dezelfde overwegingen als in de aangevallen uitspraken 2 en 3.

2. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraken gekeerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Algemeen

3.1. Onderhavige zaken hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat ze voortkomen uit de stelling van appellante dat zij aanspraak kan maken op aanvullende bijstand ter hoogte van de door het college afgedragen loonheffingen op de aan haar verstrekte belaste bijstand. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op de uitbetaling van de gebruteerde bijstand. Als gevolg van de brutering heeft zij een hoger fiscaal loon, hetgeen nadelige fiscale consequenties tot gevolg heeft.

Zaak 11/6546 WWB

3.2.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2, recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is. In het tweede lid is bepaald dat de hoogte van de algemene bijstand het verschil is tussen het inkomen en de bijstandsnorm. Uit artikel 19, vierde lid, van de WWB volgt dat de bijstand volgens de normbedragen netto wordt uitbetaald. De bijstand wordt verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verleent, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zvw. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze laatste bepaling is het de uitdrukkelijke bedoeling dat de bijstand op een netto bedrag wordt vastgesteld en dat de gemeente de door de belanghebbende over de bijstand verschuldigde loonbelasting en socialeverzekeringspremies voor haar rekening neemt (Kamerstukken II 2002–2003, 28 870, nr. 3, blz. 50). De gemeente is hierbij gebonden aan de door het Ministerie van Financiën vastgestelde aanvullende uitvoeringsvoorschriften.

3.2.2. In de Circulaire van het Ministerie van Financiën van 29 juni 2005, nr. BCPP 2005/547M is nader uiteengezet welke regels gelden voor de loonheffing over bijstand. Periodieke uitkeringen op grond van de WWB die voorzien in de algemene kosten van het bestaan worden voor de loonheffing als belaste uitkeringen aangemerkt. Bijzondere bijstand is onbelast als de uitkering of verstrekking eenmalig is. Een uitkering of verstrekking is eenmalig als de uitkering geen deel uitmaakt en ook geen deel kan uitmaken van een reeks. Hierbij is bepalend wat de ontstaansgrond is van een uitkering en of op grond van die ontstaansgrond al eerdere uitkeringen zijn gedaan of nog kunnen worden gedaan. Als de bijzondere bijstand niet eenmalig is, kan deze toch onbelast zijn als de uitkering of verstrekking bedoeld is ter dekking van bepaalde noodzakelijke kosten. Het gaat dan om uitkeringen die niet draagkrachtverhogend - niet inkomensvervangend of inkomensaanvullend - zijn omdat zij bestedingsgebonden zijn.

3.2.3. Uit de onder 3.2.1 en 3.2.2 vermelde systematiek volgt dat de bijstand een netto uitkering betreft en dat de bijstandsgerechtigde geen aanspraak kan maken op verhoging van de netto bijstand met de door de gemeente af te dragen loonheffingen en premies Zvw. De centrale stelling van appellante is daarmee onjuist. Zij heeft jegens het college slechts recht op netto uitkeringen op grond van de WWB, meer niet.

3.2.4. Van de appellante toekomende bijstand heeft het college dus niets ‘ingehouden’. De afdracht van loonheffingen, die de gemeente als inhoudingsplichtige voor eigen rekening aan de Belastingsdienst heeft verricht, is tussen partijen in de onderhavige zaken niet in geschil. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 15 juni 2012, LJN BW8577) is een inhoudingplichtig orgaan ook niet bevoegd om daarover een besluit te nemen. Dit betreft de bevoegdheid van de Belastingdienst. Ten aanzien van een dergelijk geschil is de Raad niet bevoegd.

3.2.5 Gelet hierop heeft het college de aanvraag van appellante om aanvullende bijstand ter hoogte van de door het college afgedragen loonheffingen over de aan haar verleende bijstand terecht afgewezen. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak 5 dient te worden bevestigd.

Zaak 11/1550 WWB

3.3.1. In de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank geoordeeld dat het inkomen van appellante per 1 januari 2009 hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm, zodat zij geen recht heeft op aanvullende bijstand. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij geen aanvraag om aanvullende bijstand bij het college heeft ingediend, maar dat zij heeft verzocht om restitutie van de “ingehouden WAO, WW, ZW premies en de daarop berekende loonheffing en premies Zvw”. Dit standpunt heeft appellante eerst in hoger beroep ingenomen en blijkt niet uit de aanvraag.

3.3.2. De Raad stelt vast dat de gronden van het hoger beroep zich niet richten tegen de in de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen van de rechtbank. Hetgeen appellante met haar hoger beroep wenst te bereiken kan derhalve in onderhavige procedure niet worden bereikt. Reeds hierom kan het hoger beroep niet slagen.

3.3.3. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak 1 dient te worden bevestigd.

Zaak 11/6545 WWB

3.4.1. Appellante heeft op 14 juni 2010 het college verzocht om aanvullende bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag over de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2008. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 4 overwogen dat naar vaste rechtspraak in beginsel geen bijstand wordt verstrekt over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen.

3.4.2. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de bijzondere omstandigheden zijn gelegen in de ‘fiscale kwestie’. De Raad begrijpt appellante aldus, dat de toepassing van de fiscale wetgeving door het college in haar geval leidt tot bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

3.4.3. In hetgeen door appellante is aangevoerd kan geen bijzondere omstandigheid gelegen zijn om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. Dit betekent dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak 4 voor bevestiging in aanmerking komt.

In de zaken 11/6489 WWB, 11/6544 WWB en 11/6547 WWB

3.5.1. In deze gedingen dient de Raad allereerst te beoordelen of de rechtbank terecht heeft besloten de bezwaren van appellante tegen de besluiten van respectievelijk 23 juni 2010, 22 juni 2010 en 20 januari 2011 niet-ontvankelijk te verklaren, omdat geen sprake is een zogenoemd zuiver schadebesluit waartegen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen openstaan.

3.5.2. Een beslissing over de vergoeding van de beweerdelijk geleden schade is een zelfstandig schadebesluit, indien deze schade het gevolg is van een besluit waartegen bezwaar en beroep mogelijk is (materiële connexiteit). Het beroep of hoger beroep tegen een zelfstandig schadebesluit wordt beoordeeld door de bestuursrechter die bevoegd is te oordelen over het beroep of hoger beroep tegen het schadeveroorzakende besluit (processuele connexiteit).

3.5.3. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van de handelwijze/werkwijze van het college. De Raad begrijpt deze grond aldus dat de toepassing van de fiscale wetgeving door het college in het geval van appellante heeft geleid tot onrechtmatige besluitvorming als gevolg waarvan appellante schade heeft geleden.

3.5.4. De besluiten van 22 juni 2010, 23 juni 2010 en 20 januari 2011, waarbij de verzoeken van appellante zijn afgewezen, hebben naar het oordeel van de Raad betrekking op vergoeding van schade die veroorzaakt zou zijn door besluiten van het college waarbij de bruto bijstand, die volgens appellante haar toekomt op grond van de WWB niet volledig, maar tot een lager bedrag, namelijk na aftrek van loonheffingen, is betaald en door de besluiten waarbij het college geweigerd heeft dat verschil als aanvullende bijstand uit te keren. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellante gestelde schadeoorzaken zich niet laten kwalificeren als feitelijk handelen. Het beweerdelijk onjuist uitvoeren van de bijstandswetgeving door het college heeft immers geleid tot besluiten, welke gelet op de artikelen 8:1 en 7:1, eerste lid, van de Awb, vatbaar zijn voor bezwaar en vervolgens beroep bij de bestuursrechter. Daarmee is voldaan aan de vereisten van materiële en processuele connexiteit.

3.5.5. Het hiervoor onder 3.5.2 tot en met 3.5.4 overwogene leidt ertoe dat de besluiten van 22 juni 2010, 23 juni 2010 en 20 januari 2011 zelfstandige schadebesluiten zijn, waartegen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen open stonden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraken 2, 3 en 6 geheel vernietigen, met uitzondering van de bepalingen over proceskosten en griffierecht. De Raad ziet geen aanleiding de gedingen terug te wijzen naar de rechtbank en zal de beroepen tegen de bestreden besluiten 2, 3 en 6 beoordelen.

3.5.6. Bij toetsing van een zelfstandig schadebesluit zoekt de Raad aansluiting bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Allereerst dient derhalve beoordeeld te worden of de schade die appellante stelt te hebben geleden het gevolg is van onrechtmatige besluitvorming van het college.

3.5.7. Uit hetgeen is overwogen in de zaken 11/1550 WWB, 11/6545 WWB en 11/6546 WWB volgt dat in het geval van appellante niet gebleken is van besluiten die, voor wat betreft de wijze van totstandkoming dan wel naar hun inhoud, onrechtmatig zijn. Verwezen wordt naar hetgeen onder 3.2.3 is overwogen. Dit betekent dat de schade die appellante stelt te hebben geleden niet het gevolg is van onrechtmatige besluitvorming van het college en dat daarom terzake daarvan geen verplichting op het college rust die gestelde schade te vergoeden.

In de zaak 11/6489 voorts

3.6.1. Uit de gedingstukken blijkt genoegzaam dat appellante een schadevergoeding heeft gevraagd voor de kosten die zij heeft gemaakt in verband met vermeend foutief handelen van het college tot een bedrag van € 3.155,--. Ten onrechte heeft het college in het bestreden besluit 2 het verzoek van appellante opgevat als een verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 3.601,-- wegens afgedragen premies en loonheffing. Dit betekent dat het bestreden besluit 2 niet op een deugdelijke motivering berust en om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal voorts bezien of er grond is de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Abw in stand te laten.

3.6.2. De Raad stelt - onder verwijzing naar overweging 3.5.7 - vast dat de schade die appellante stelt te hebben geleden niet het gevolg is van onrechtmatige besluitvorming van het college. Dit betekent dat de door appellante gevorderde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.

3.6.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand kunnen blijven.

In de zaak 11/6544 WWB voorts

3.7.1. De Raad stelt - onder verwijzing naar overweging 3.5.7 - vast dat de schade die appellante stelt te hebben geleden niet het gevolg is van onrechtmatige besluitvorming van het college. Dit betekent dat het college terecht heeft geweigerd de door appellante gevorderde schade te vergoeden.

3.7.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard dient te worden.

In de zaak 11/6547 WWB voorts

3.8. De Raad stelt vast dat het college het verzoek van appellante om schadevergoeding ten onrechte heeft opgevat als een aanvraag om bijzondere bijstand tot een bedrag van € 640,--. Dit betekent dat het bestreden besluit 6 niet berust op een deugdelijke motivering en om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. Gelet op hetgeen onder 3.5.7 is overwogen ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven.

Proceskosten

4. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 28,34 in hoger beroep voor reiskosten. De overige door appellante gemaakte kosten komen, gelet op de in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen limitatieve opsomming van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, niet voor vergoeding in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken 1, 4 en 5;

- vernietigt de aangevallen uitspraak 2 met uitzondering van de bepalingen over de proceskosten en het griffierecht;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 september 2010 gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- vernietigt de aangevallen uitspraak 3 met uitzondering van de bepaling over het griffierecht;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2010 ongegrond;

- vernietigt de aangevallen uitspraak 6 met uitzondering van de bepaling over het griffierecht;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 april 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat het college aan appellante in de zaken 11/6489, 11/6544 en 11/6547 het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 336,-- vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 28,34.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.C. Oomkens