Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0110

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
12-5640 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vergoeding van een bedrag van € 20.810 tbv kinderopvangtoeslag 2009. De beslissing van 15 december 2011 mist materiële connexiteit met een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar op grond van de Awb openstond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5640 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2012, 12/1544 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 29 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.E. Mungroop, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mungroop. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. Veenendaal.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op haar rustten de verplichtingen tot arbeidsinschakeling als omschreven in artikel 9 van de WWB. Zoals blijkt uit een aan appellante gerichte brief van 18 september 2008 van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) heeft de DWI appellante aangemeld voor begeleiding bij Herstelling, een organisatie werkzaam op het terrein van arbeidsre-integratie.

1.2. Appellante is in december 2008 gehuwd met [naam echtgenoot], afkomstig uit de Dominicaanse Republiek. Omdat hij niet beschikte over een vergunning tot verblijf, kon hij niet langer dan drie maanden in Nederland verblijven.

1.3. Appellante heeft met het oog op het volgen van een traject tot arbeidsinschakeling haar jongste kind ondergebracht bij een kinderdagverblijf. Voor de kosten van deze kinderopvang heeft zij van de Belastingdienst een voorschot ontvangen op grond van de Wet Kinderopvang.

1.4. De Belastingdienst heeft het voorschot op grond van de Wet Kinderopvang over 2009 ten bedrage van € 19.116,-- naderhand teruggevorderd op de grond dat appellante geen recht had op kinderopvangtoeslag over 2009 omdat zij niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Dit besluit is inmiddels in rechte onaantastbaar geworden.

1.5. Bij brief van 14 november 2011 heeft appellante het college verzocht haar een bedrag van € 20.810,-- te vergoeden omdat een ambtenaar van de DWI verantwoordelijk was voor de aanvraag van de kinderopvangtoeslag van 2009. Het college heeft dit verzoek bij brief van 15 december 2011 afgewezen. Volgens het college had de DWI aan appellante duidelijke gemaakt dat zij met een partner geen recht had op kinderopvangtoeslag. Daarnaast heeft de DWI volgens het college slechts een bemiddelende rol voor wat betreft de kinderopvang. De DWI is niet verantwoordelijk voor de uitkomst van een aanvraag voor kinderopvangtoeslag.

1.6. Bij besluit van 16 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de brief van 15 december 2011 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat geen sprake was van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de afwijzing van haar verzoek om schadevergoeding wel een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De consulent van de DWI heeft haar verplicht mee te werken aan arbeidsinschakeling, waardoor zij kinderopvang moest zoeken en aangewezen was op kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst. Deze toeslag is haar toegezegd. Nu die kinderopvangtoeslag niet wordt verstrekt, dient het college dat te betalen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 8 maart 2011, LJN BP8145) is een beslissing over de vergoeding van beweerdelijk geleden schade een zelfstandig schadebesluit, indien deze schade het gevolg is van een besluit waartegen bezwaar en beroep mogelijk is (materiële connexiteit). Voorts is het vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 14 oktober 2003, LJN AR7781) dat het hoger beroep tegen een zelfstandig schadebesluit wordt beoordeeld door de bestuursrechter die bevoegd is te oordelen over het hoger beroep tegen het schadeveroorzakende besluit (processuele connexiteit).

4.2. Aan het vereiste van de materiële connexiteit wordt in dit geval niet voldaan. Het - beweerde - schadeveroorzakende handelen, het geven van informatie ten behoeven van het aanvragen van kinderopvangtoeslag, moet worden aangemerkt als feitelijk handelen van DWI. De beslissing van 15 december 2011 mist dan ook connexiteit met een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar op grond van de Awb openstond. De burgerlijke rechter is bevoegd ten gronde over de schadevordering te beslissen.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) V.C. Hartkamp

HD