Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0044

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
11/6759 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar door college niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft op juiste gronden in de door appellante aangevoerde omstandigheden geen aanleiding gezien om te oordelen dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6759 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 oktober 2011, 11/1528 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Culemborg (college)

Datum uitspraak

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.S. Venstra hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2012. Voor appellante is mr. Venstra verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G.T.W. Masolijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in aanvulling op haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. Bij besluit van 27 februari 2009 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 17 juli 2007 tot en met 31 augustus 2008 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van haar teruggevorderd tot een bedrag van € 6.649,28 op de grond dat de inkomsten van appellante in verband met de WAO-uitkering hoger waren dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Het is namelijk gebleken dat bij besluit van 22 augustus 2008 aan appellante met ingang van 17 juli 2007 een toeslag op haar WAO-uitkering ingevolge de Toeslagenwet is toegekend.

1.3. Bij brief van 7 oktober 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 februari 2009.

1.4. Bij besluit van 15 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2009 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de termijn om bezwaar te maken.

1.5. Appellante heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Zij heeft aangevoerd dat zij in februari 2009 geen reden had om bezwaar te maken tegen het besluit van 27 februari 2009, aangezien het door het college teruggevorderde bedrag zou worden verrekend met de nabetaling van de toeslag op haar WAO-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft nadien onverwachts besloten dit niet te doen, maar de nabetaling te verrekenen met een bij het Uwv openstaande schuld. De termijn voor het maken van bezwaar was toen al verstreken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de gevolgen van het vernietigde besluit in standgelaten.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat het college in strijd met artikel 7:12, tweede lid, van de Awb heeft verzuimd te vermelden op welke grond is afgezien van het horen van appellante. De rechtbank heeft de stelling van appellante dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was niet onderschreven. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 juni 2004, LJN AP1368, heeft de rechtbank overwogen dat indien een belanghebbende, zoals appellante in dit geval, wel in staat is binnen de wettelijke termijn bezwaar te maken, maar dat niet heeft gedaan omdat zij daartoe binnen de bezwaartermijn geen reden had, een nadien opkomende reden niet kan bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt. De nadien opgekomen omstandigheid dat het Uwv niet meer met het college verrekent leidt aldus niet tot een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Hierin heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Zij handhaaft haar standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Volgens appellante blijkt uit het feitencomplex van het onder 2 genoemde arrest van de Hoge Raad, dat het risico voor het ontdekken van feiten in de risicosfeer van de belanghebbende lag. Voorts waren die feiten niet gewijzigd na de bezwaartermijn. Appellante heeft echter geen enkele invloed gehad op het verloop van de gebeurtenissen. Binnen de bezwaartermijn bestond geen aanleiding om bezwaar te maken. Door de gewijzigde omstandigheden, die pas na afloop van de bezwaartermijn ontstonden, werd appellante in een positie gedrongen de beslissing van het college aan te vechten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Partijen verschillen van mening over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is.

4.2. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijk verklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.3. De rechtbank heeft op juiste gronden in de door appellante aangevoerde omstandigheden geen aanleiding gezien om te oordelen dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Voor zover moet worden aangenomen dat appellante geen invloed op de gebeurtenissen zou hebben, brengt dat op zichzelf niet mee dat de termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar is. De Raad voegt daaraan toe dat appellante redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de omstandigheid dat de terugvordering niet zou worden verrekend met de nabetaling van de toeslag op haar WAO-uitkering. Bij het besluit van 27 februari 2009 is appellante meegedeeld dat het college een bedrag van € 6.649,28 terugvordert en dat haar wordt verzocht dit bedrag binnen 30 dagen na verzendatum van het besluit over te maken op het bankrekeningnummer ten name van de gemeente Culemborg. Het college heeft appellante meegedeeld dat zij, indien zij het bedrag niet ineens kan betalen, in de gelegenheid wordt gesteld een betalingsregeling te treffen en dat zij zich daarvoor schriftelijk tot de afdeling Sociale Zaken moet wenden. Hieruit blijkt niet dat het bedrag van de terugvordering wordt verrekend met de nabetaling van de toeslag op appellantes WAO-uitkering. Uit de brief van het Uwv van 17 juni 2009 blijkt dat appellante op 4 november 2008 door het Uwv ervan in kennis is gesteld dat de nabetaling van de toeslag zou worden verrekend met een openstaande vordering bij het Uwv. Voorts blijkt uit deze brief dat appellante meermalen contact met het Uwv heeft gehad over de verrekening van de nabetaling van de toeslag. Niet is gebleken dat zij daarover contact heeft gezocht met het college. Overigens heeft appellante ook niet zo spoedig mogelijk na 17 juni 2009 bezwaar gemaakt.

4.4. Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) V.C. Hartkamp

HD