Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
12-1730 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Zorgvuldig verricht medisch onderzoek. Geen aanleiding voor twijfel aan de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1730 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 februari 2012, 11/8608 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 30 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O. Labordus, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Labordus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk van 1 juni 2010 tot 22 juni 2010 werkzaam als objectleidster in de schoonmaak gedurende gemiddeld 25 uur per week, vijf maal vijf uur per dag, via schoonmaakbedrijf KVS. Appellante heeft zich op 4 augustus 2010, vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met al langer bestaande pijnklachten in hand- en armgewrichten en pijn met beweeglijkheidsbeperking in linker heup en linkerbeen. Appellante is in dat verband meerdere malen op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, voor het laatst op 22 augustus 2011. De verzekeringsarts heeft appellante daarbij, na het verkrijgen van informatie van de behandelend reumatoloog, per

22 augustus 2011 geschikt geacht voor haar arbeid. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 22 augustus 2011 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 22 augustus 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 12 oktober 2011 - bij besluit van 14 oktober 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank zijn uit de beschreven onderzoeken door de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te kunnen komen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig of onvolledig te achten en heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de bezwaarverzekeringsarts de in bezwaar overgelegde informatie van de reumatoloog heeft betrokken. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de voorhanden zijnde stukken voldoende is komen vast te staan dat de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende kennis hebben van de belangrijkste taken die appellante in haar laatste functie heeft verricht en de daarmee gepaard gaande fysieke belasting.

3. In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunt dat zij haar eigen werk niet meer kan verrichten. Zij heeft sedert vijftien jaar last van artrose in haar handen, schouder en heup. Uit de door haar overgelegde informatie in bezwaar en beroep blijkt dat deze klachten worden bevestigd en dat overbelasting vermeden dient te worden. Appellante is van mening dat in haar werk taken voorkomen die haar belasting overschrijden. Ondanks dat appellante een leidinggevende functie had, diende zij regelmatig tot dagelijks schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Appellante wijst erop dat de reumatoloog spreekt van belasting en niet van overbelasting, zoals de bezwaarverzekeringsarts stelt. Ook de huisarts is van mening dat appellante haar werk niet kan verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk, voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval is dat het werk van objectleidster in de schoonmaak voor 25 uur per week, vijf maal vijf uur per dag, zoals dat nader is omschreven in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 24 september 2010 en in de rapportage van de verzekeringsarts van 15 september 2010. De rechtbank heeft in dit verband terecht geoordeeld dat hiermee voldoende is komen vast te staan dat de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende kennis hebben van de (belangrijkste) taken die appellante in haar laatste functie heeft verricht en de daarmee gepaard gaande fysieke belasting.

4.2. Er bestaat ten aanzien van de medische beoordeling geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen, waarover inzichtelijk is gerapporteerd. Appellante is lichamelijk onderzocht en er is een gerichte anamnese afgenomen. Tevens is rekening gehouden met de informatie van de behandelend reumatoloog. Er bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. Daarbij wordt met name van belang geacht dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 12 oktober 2011 heeft onderkend dat er bij appellante sprake is van gewrichtsklachten op basis van artrose aan beide duimen en dat dit ook is geobjectiveerd.

De bezwaarverzekeringsarts acht het voorstelbaar dat appellante door haar klachten beperkingen ondervindt in haar belastbaarheid. Er is daarentegen geen bezwaar tegen een gedoseerd bewegen en het onderhouden van de aanwezige functie en spierkracht is van belang om de progressie te beperken. De bezwaarverzekeringsarts acht in die zin de belastingen in het eigen werk wel mogelijk, waarbij hij ervan uitgaat dat appellante een beperkte rol had in het echte uitvoerende werk. Dit wordt - anders dan appellante stelt - niet in strijd geacht met de informatie van de reumatoloog waar deze stelt dat de pijnklachten kunnen verminderen na reductie van de belasting. De reumatoloog heeft er in zijn brief van 21 september 2010 in dit verband ook terecht op gewezen dat de inschatting van de belastbaarheid overgelaten dient te worden aan de daartoe deskundige arts. Ten aanzien van het voorkomen van overbelasting, zoals genoemd door de reumatoloog in verband met de chronische tendinitis en de bursitis, heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 27 januari 2012 aangegeven dat de door de reumatoloog bedoelde overbelasting niet voor komt in het eigen werk van appellante. De gedingstukken bieden geen aanknopingspunten voor twijfel aan dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts.

4.3. De in hoger beroep overgelegde (ongedateerde) informatie van de huisarts van appellante leidt niet tot een ander oordeel. In dit verband wordt het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 13 september 2012, onderschreven. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarin het standpunt van de huisarts gerelativeerd aangezien de huisarts zelf al heeft aangegeven dat hij appellante al een tijd niet meer heeft gesproken over de gewrichtsklachten. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts er nogmaals op gewezen dat de artrose slechts van enkele gewrichten is geobjectiveerd middels röntgenonderzoek; er zijn zeker afwijkingen en beperkingen, maar het in beperkte mate uitvoeren van een aantal schoonmaaktaken is zeker wel mogelijk.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

6. Er bestaat geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D.E.P.M. Bary

QH