Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9898

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
12-3010 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft voldoende inzichtelijk en overtuigend aangegeven waarom de overgelegde informatie van de neurochirurg hem geen aanleiding geeft tot het innemen van een ander standpunt ten aanzien van appellants belastbaarheid en de geschiktheid voor het verrichten van het eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3010 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 april 2012, 11/1789 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 30 januari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R.V.L. Kicken, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kicken. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk voor 40 uur per week werkzaam als commercieel medewerker binnendienst bij [naam werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats]. Per 10 januari 2011 heeft hij zich, vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld met rugklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant ziekengeld ontvangen. Op

28 maart 2011 en 14 juli 2011 heeft hij het spreekuur bezocht van de arts van het Uwv. Deze arts is op basis van zijn bevindingen uit het laatst verrichte onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 20 juli 2011 weer geschikt kan worden geacht voor het laatst verrichte werk. Bij besluit van eveneens 14 juli 2011 heeft het Uwv met ingang van 20 juli 2011 (verdere) uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd.

1.2. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 8 september 2011 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 juli 2011 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, zoals vermeld in de rapporten van 11 augustus 2011 en 20 januari 2012.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de klachten die hij op 20 juli 2011 ondervond medisch zijn verklaard doordat dr. B. Dehaes het syndroom van Bertolotti heeft vastgesteld. Vanwege de uit dit syndroom voortkomende beperkingen acht appellant zich niet in staat zijn eigen werk van commercieel medewerker uit te voeren.

3.2. In verweer stelt het Uwv zich, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 2 augustus 2012, op het standpunt dat het bij de beoordeling of iemand ziek is in de zin van de ZW niet gaat om de gestelde diagnose, maar om de beperkingen die er zijn en of met die beperkingen het eigen werk verricht zou kunnen worden. Aangezien bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant rekening is gehouden met reële rugklachten, betekent de nu gestelde diagnose niet dat appellant meer beperkt is dan destijds aangenomen. Het Uwv blijft dan ook van mening dat appellant rekening houdend met zijn klachten in staat moet zijn om zijn arbeid te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen.

4.3. Er bestaat geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Daarbij is van belang dat de arts van het Uwv appellant meerdere malen heeft onderzocht en op de hoogte was van de bevindingen uit onderzoek van de behandelend orthopedisch chirurg. Uit deze via anamnese verkregen informatie van de orthopeed blijkt dat deze arts chronische spierklachten en enige versmalling op nivo L5-L6 heeft vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond en appellant aansluitend onderzocht. Bij de beoordeling heeft de bezwaarverzekeringsarts de informatie van de behandelend sector meegewogen. Ook de bezwaarverzekeringsarts kon bij eigen onderzoek, behoudens een anteflexie tot minder dan 45 graden geen beperkingen vaststellen en evenmin een oorzakelijke verklaring vinden voor de hoge mate van klachten en ervaren beperkingen.

4.4. Uit de in beroep overgelegde informatie van neurochirurg T. Daenekindt blijkt dat sprake is van een vormafwijking op de overgang van de lumbale wervelkolom naar het heiligbeen. Daarnaast een disfunctioneren van de rugspieren waarbij de uittredende zenuwwortels niet in de problematiek zijn betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van

20 januari 2012 gemotiveerd aangegeven waarom de overgelegde informatie van de neurochirurg, hem geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De aangetoonde afwijkingen vallen onder de definitie van aspecifieke lage rugklachten, die aanleiding geven tot beperkingen voor zware rugbelasting zoals hoogfrequent bukken en zwaar tillen. Aangezien de functie van appellant uitgesproken rugsparend is brengen de vastgestelde afwijkingen, zo stelt de bezwaarverzekeringsarts, geen verandering in het ingenomen standpunt.

4.5. Uit de vervolgens in hoger beroep overgelegde rapportage van dr. Dehaes van 14 juni 2012 blijkt dat bij appellant sprake is van het syndroom van Bertolotti. Appellant acht het aannemelijk dat hij op grond van deze aandoening op de datum in geding dusdanige beperkingen ondervond dat hij ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid. De Raad merkt op dat het bij een verzekeringsgeneeskundig onderzoek gaat om de vaststelling van beperkingen voor het verrichten van arbeid. Daarbij is een diagnose niet doorslaggevend, evenmin de eigen opvatting van appellant daarover. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 2 augustus 2012 voldoende inzichtelijk en overtuigend aangegeven waarom de overgelegde informatie van de neurochirurg hem geen aanleiding geeft tot het innemen van een ander standpunt ten aanzien van appellants belastbaarheid en de geschiktheid voor het verrichten van het eigen werk per de datum hier in geding.

4.6. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. Er bestaat geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D.E.P.M. Bary

GdJ