Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
12-3863 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op ZW-uitkering kon niet worden vastgesteld omdat appellant geen mededeling wilde/kon doen over de omvang van zijn werkzaamheden en de hoogte van zijn inkomsten uit die werkzaamheden. Terugvordering. Hoorplicht. Het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen wordt onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3863 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 25 mei 2012, 12/71 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2012. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. J.W. van de Wege. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 mei 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Na ommekomst van de wachttijd van 104 weken is die uitkering met ingang van 3 april 2011 beëindigd. Aansluitend is de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. Appellant is met ingang van 4 april 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

2. Op 7 juli 2011 is appellant door de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost aangehouden in verband met het vervoeren en drogen van hennep. Het Uwv heeft op 14 juli 2011 een melding gedaan wegens mogelijke werknemersfraude. Op basis van onderzoeksbevindingen uit het verrichte fraude-onderzoek door de dienst Handhaving van het Uwv, zoals neergelegd in een rapport van 15 augustus 2011, heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant sinds 2 november 2009, zonder hierover bij het Uwv mededelingen te doen, werkzaam is geweest als drugskoerier en daarnaast vanaf maart 2011 wietdroger is geweest. Hierop volgend heeft onderzoek plaatsgevonden naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte ZW-uitkering. Op basis van de bevindingen uit dit onderzoek, beschreven in een rapport van 16 september 2011, heeft het Uwv aanleiding gezien de ZW-uitkering in zijn geheel terug te vorderen. Bij besluit van 13 oktober 2011 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de ZW herzien en over de periode van 2 november 2009 tot en met 3 april 2011 een bedrag van € 22.796,27 aan onverschuldigd betaald ziekengeld teruggevorderd. Appellant heeft tegen het besluit van 13 oktober 2011 bezwaar gemaakt.

3. Bij besluit van 29 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij het standpunt gehandhaafd dat het recht van appellant op een ZW-uitkering over de periode van 2 november 2009 tot en met 3 april 2011 niet kon worden vastgesteld omdat hij ten tijde van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering geen mededeling wilde/kon doen over de omvang van zijn werkzaamheden en de hoogte van zijn inkomsten uit die werkzaamheden. Appellant heeft daarom ten onrechte uitkering ingevolge de ZW ontvangen. Het Uwv heeft vervolgens de ten onrechte verstrekte uitkering teruggevorderd, aangezien geen sprake was van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

4. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat uit het rapport van de fraude-inspecteur, welk rapport is opgesteld naar aanleiding van het gesprek met appellant op 14 september 2011, blijkt dat het appellant duidelijk had kunnen zijn dat het onderzoek ook betrekking had op de rechtmatigheid van de ZW-uitkering en niet alleen betrekking had op het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant toegekende WW-uitkering. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat tijdens het gesprek op 14 september 2011 expliciet gesproken is over de activiteiten van appellant als drugskoerier in de periode dat hij een uitkering ingevolge de ZW ontving. Onder verwijzing naar het eerder vermelde onderzoeksrapport, de daarin opgenomen vragen, welke ten tijde van het onderzoek aan appellant zijn gesteld en waarop appellant geen antwoord heeft gegeven en de manier waarop appellant zich ten tijde van het onderzoek heeft opgesteld, heeft de rechtbank tevens geoordeeld dat het Uwv heeft voldaan aan de verplichting om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Het door het Uwv niet kunnen vaststellen van het recht op ZW-uitkering als gevolg van onvolledige informatieverstrekking, komt naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de op appellant van toepassing zijnde mededelingsverplichting voor rekening en risico van appellant. Aan het in beroep door appellant overgelegde overzicht van zijn inkomen in de periode in geding heeft de rechtbank geen relevante betekenis toegekend omdat bij gebreke van concrete verifieerbare gegevens de juistheid van deze gegevens niet kan worden vastgesteld. Met het Uwv heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanknopingspunten aanwezig zijn om appellant te volgen in zijn standpunt dat het Uwv op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten afzien van herziening en terugvordering. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat gelet op de gang van zaken rond de hoorzitting, die appellant ter zitting van de rechtbank heeft erkend, het Uwv terecht heeft aangenomen dat appellant afstand heeft gedaan van zijn recht om te worden gehoord.

5. In hoger beroep heeft appellant zich – samengevat - op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende kennis heeft vergaard over de relevante feiten en omstandigheden. Daarnaast heeft appellant gesteld dat hij niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht op een hoorzitting. Voorts heeft appellant gesteld dat hij er niet op gewezen is dat het onderzoek niet alleen betrekking had op de beoordeling van de rechtmatigheid van zijn recht op WW-uitkering, maar eveneens op de beoordeling van zijn recht op ZW-uitkering. Tevens stelt appellant dat de rechtbank ten onrechte waarde heeft toegekend aan de inhoud van het, niet door hem ondertekende, onderzoeksrapport van 16 september 2011. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen schatting heeft gemaakt van de door hem verkregen inkomsten.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1. In hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht zijn aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank inzake schending van de hoorplicht voor onjuist te houden.

6.2. Artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien deze heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. Een daartoe strekkende verklaring heeft appellant niet afgelegd. Mede gelet op de gang van zaken, zoals beschreven in de telefoonnotitie van en de door appellant hieromtrent afgelegde verklaring, wordt niet uitgesloten dat appellant de gevolgen van het instemmen met het achterwege laten van de hoorzitting, niet heeft ingezien. Nu appellant nimmer (uitdrukkelijk) afstand heeft gedaan van zijn recht te worden gehoord, is in dit geval niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb en komt het bestreden besluit om die reden voor vernietiging in aanmerking.

6.3. Vervolgens wordt nagaan of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand dienen te blijven.

6.4. Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep bij de rechtbank en heeft geen nieuwe informatie overgelegd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en tevens overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Er is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de standpunten van het Uwv over de terugvordering van het ten onrechte betaalde ziekengeld. Het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen wordt onderschreven.

6.5. De Raad ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 29 november 2011 in stand te laten en het verzoek om veroordeling van het Uwv tot betalen van schadevergoeding af te wijzen.

6.6. Gelet op het vorenstaande veroordeelt de Raad het Uwv in de proceskosten van appellant, begroot op in totaal € 1.888,--, zijnde € 944,-- in beroep en € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 29 november 2011;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

-wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

-bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,-- vergoedt;

-veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 944,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 944,--, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D.E.P.M. Bary

KR